Stichting de gihonbron


IV. DE ONBEWOONDE STROOK TEN NOORDEN VAN de RIJN



Yüklə 1,73 Mb.
səhifə6/26
tarix03.11.2017
ölçüsü1,73 Mb.
#29534
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   26

IV. DE ONBEWOONDE STROOK TEN NOORDEN VAN de RIJN
Het deel van ons land, dat ten noorden van de Rijn ligt, heeft slechts korten tijd onder het onmiddellijke Romeinse gezag ge­staan. zoals men zich zal herinneren, is dit gebied in de jaren 12 tot 9 v. Chr. onderworpen door Drusus. Na de nederlaag van Varus, in 9 o. J., ging het niet dadelijk voor het Rijk verloren; in 14, tijdens de dood van Augustus, was er immers nog een garnizoen bij de Cauchen in de kuststreek ten oosten van de Eems. Door de expedities van Germanicus is het land weer voor korten tijd wat vaster met Rome verbonden; maar de regering van het Rijk had er toch niet veel belangstelling voor. Dat bleek in 28, bij gelegenheid dat de Friezen zich vrijmaakten. Keizer Tiberius achtte het toen niet de moeite waard hun land te laten heroveren en in 47, onder keizer Claudius, kreeg
1) Voor opgravingen in deze vluchtberken verg, A. E. Remouebamps, Oudh. Meded. 1927, blz. 40-47; en J. A. Huhregtse, Oudlz. Meded. 1929, blz.
Corbulo, de gouverneur van Germania Inferior die een veldtocht tegen de Friezen had ondernomen, de order zijn troepen in het ge­hele territorium van het NederGermaanse leger terug te trekken op de linkeroever van de Rijn. Van die tijd af behoorde het deel van Nederland ten noorden van de rivier tot het vrije Germanië.

Intussen hebben de Romeinen toch altijd enig belang bij dat gebied behouden. Een brede strook rechts van de Rijn hielden zij vrij van bewoning. Dat weten wij door de mededeling van Tacitus, waarin deze schrijver verhaalt, dat de Friezen omstreeks het jaar 57 een poging hebben gedaan om zich in die strook te vestigen. Maar ook door een gezantschap naar Rome hebben zij daarvoor geen ver­lof kunnen krijgen. Bij die gelegenheid blijken de Friezen nog in een zekere verhouding van afhankelijkheid tot het Rijk te staan en die verhouding werd vermoedelijk door de vrede van het jaar 70 nog eens bevestigd. Dat is ten minste waarschijnlijk door de aanwezig­heid van Friezen in het Romeinse leger en door de handelsbetrek­kingen, die er met dit volk hebben bestaan. De vondstedin het noor­den van ons land lichten deze toestand nog nader toe. Er blijkt daarbij duidelijk onderscheid te wezen tussen de verschillende delen, ten eerste de strook langs de Rijn met de kuststreek, ten tweede de hoge gronden van Overijssel, Drente, Friesland en Gronin­gen, ten slotte het gebied van de klei in het noorden. Aan elk van deze delen zullen wij in het vervolg afzonderlijk aandacht geven.

Het zal nodig zijn, dat wij ook in dit geval nauwkeurig rekening houden met de geografischen toestand. Vooral in dit deel van ons land hebben grote veranderingen plaats gehad door het ontstaan van de Zuiderzee. Intussen kan het land, dat later is verzwolgen, ook in de Romeinse tijd slechts weinig bewoond zijn geweest. Het was een grotendeels ontoegankelijke veenstreek met moerassen, grote meren en talrijke killen, waardoor de rivieren, de Overijssel­sche Vecht, de Gelderse IJssel en de Utrechtsche Vecht, zich een weg zochten om door de Vliestroom en enkele andere waterlopen in de Noordzee uit te monden. Alleen van de goed bewoonbare klei­streek in het noorden is na de Romeinse tijd waarschijnlijk een deel verloren gegaan. Het is intussen opmerkelijk, dat ook in Noordholland de Romeinse vondsten vrijwel geheel ontbreken. Blijkbaar heeft de gehele kuststreek behoord tot de van bewoning vrij gehouden strook. Een vondst van enig belang is alleen gedaan op Texel. Van Wieringen en de andere eilanden is niets bekend.

Wij beginnen ons overzicht met de onbewoonde strook ten noor­den van de Rijn, die behalve de zo-even genoemde kuststreek het veengebied van Holland en Utrecht, het heuvelland van het Gooi, U trecht en de Veluwe, benevens de Graafschap Zutphen omvatte. De hoge gronden zijn zonder twijfel dicht bebost geweest en op die wijze moeilijk toegankelijk. Dit gehele gebied is zeer arm aan vondsten, met uitzondering van de streek onmiddellijk langs de Rijn, die reeds aan het slot van afdeling I van dit hoofdstuk is besproken. De Romeinen duldden ten noorden van de grensrivier geen bewoning, ten einde het door hen bezette land te vrijwaren voor strooptochten. Wèl zijn er hier en daar enkele Romeinse voor­werpen ontdekt; maar die voorwerpen kunnen bij toeval zijn verloren gegaan, hetzij bij jachtpartijen van het Romeinse gebied uit, hetzij bij het doortrekken van reizigers en kooplieden op hun tocht naar noordelijker streken. Ons overzicht kan dus kort zijn.

Wat in de Graafschap Zutphen is gevonden, geeft geen aanlei­ding tot bijzondere opmerkingen. Een enkele munt, enige scherven van Romeins aardewerk, een paar bronzen voorwerpen kunnen niet gelden als een bewijs voor bewoning in de Romeinse tijd of zelfs voor een enigszins duurzamen Romeinse invloed. Iets meer hebben de vondsten van de Veluwe ons te zeggen. Daar is op de heide ten oosten van Ermelo, aan de ouden postweg tussen Staverden en Drie, een Romeins legerkamp uit de tijd omstreeks 300 opgegraven, met een wal, een gracht, vier poorten, de over­blijfselen van bivakvuren, laat-Romeinse kookpotten uit de derde of wellicht uit de vierde eeuw 1). Waarschijnlijk heeft daar, in de periode toen het Romeinse Rijk wederom alle krachten inspande om zijn positie te bevestigen, een Romeins leger een tijd lang ge­kampeerd.
Een vrij belangrijke vondst valt te vermelden uit de buurt van Uddel. Daar is, tussen het Uddelermeer en het Blekemeer, een schat van Romeinse munten, van Nero tot Valentinianus II, voor de dag gekomen. Verder zijn te Garderen op de Bemmelerberg een aantal Romeinse voorwerpen ontdekt: aardewerk, ijzeren en bronzen instrumenten, huisraad en sieraden, kralen en een groot aantal munten, van Augustus tot Constantinus I. Wellicht is daar een Romeins jachthuis geweest of althans een plaats, waar jagers ge­regeld plachten te kamperen. Anders kent men uit dit gehele ge­bied, waartoe verder het Utrechtsche heuvelland en het Gooi behoren, niet anders dan enkele Romeinse munten en stukken aarde­werk.

Ook uit de veenstreken van Utrecht en Holland kan men niet veel vernielden. Er is hier en daar een enkele munt ontdekt. Alleen de vondsten aan de Vecht hebben voor ons een bijzondere betekenis in verband met het vraagstuk, of men deze stroom mag identificeren met het Kanaal van Drusus, zoals terecht is ondersteld 1). In de buurt van Breukelen zijn inderdaad Romeinse munten te voor­schijn gekomen en te Nieuwersluis in 1914 bij het maken van loop­graven een denarius van Caesar Octavianus uit de tijd omstreeks het jaar 35 v. Chr. Reeds in het begin van de 16de eeuw kende men een inscriptie, die te Loenersloot heette te zijn ontdekt; dit monu­ment, de grafsteen van een jong meisje, kan evenwel van elders daarheen zijn gebracht. Deze voorwerpen zijn intussen te gering in aantal om enige bewijskracht te hebben. Anders kunnen wij, be­halve een aantal verspreid gevonden munten en scherven van Romeins aardewerk, niet anders noemen dan twee schatten uit de Haarlemmermeer, de eerste met munten van Julius Caesar af tot Theodosius I, de tweede bestaande uit een zeer groot aantal, naar men meent, een 13.000 kleine Romeinse muntjes uit de laten keizertijd, voornamelijk uit de vijfde eeuw.


De vondsten in het duinlandschap aan de mond van de Rijn zijn boven reeds ter sprake gekomen. Ten noorden van Noordwijker­hout en Lisse ontbreken zij geheel tot Velzen, waar bij het graven van het Noordzeekanaal gouden munten van Justinus I en Justinianus zijn te voorschijn gekomen. Uit Wijk aan Zee kent men Romeinse munten. Te Nooddorp, te Alkmaar en op een stuk land aan den. weg van Alkmaar naar Sint-Pancras zijn scherven .van Romeins aardewerk ontdekt.

Mogelijk hebben de voorwerpen, die in het begin van de 16de eeuw aanwezig waren in een zaal van de abdij van Egmond, meer betekenis. Naar ons wordt medegedeeld, was daar een inscriptie, waarop Septimius Severus, Caracalla en Geta waren vermeld, en verder bakstenen met stempels van Legio XXX en van het leger in Neder-Germanië. Het is inderdaad niet ondenkbaar, dat daar in de buurt, waar eens een mond van de Rijn moet zijn geweest, in het begin van de derde eeuw een Romeins fort is gebouwd; maar zekerheid daaromtrent hebben wij allerminst. Evengoed kunnen de genoemde monumenten, die met de abdij zijn te gronde gegaan, van elders naar Egmond zijn gebracht. Wellicht zijn zij te Roomburg gevonden.

Wat meer zekerheid hebben wij met hetgeen op T ex e 1 is ont­dekt. Daar kwam bij De Waal in de "Sommeltjesberg" in 1770 een aantal bronzen voorwerpen te voorschijn: vaatwerk, beslag van paardentuig, wapens, werktuigen, huisraad, alles daterend uit den
1) Over het Kanaal van Drusus verg. hier boven, blz. 409.

2) J. H, Holwerda, Oudh, Meded. 1923, blz. 40-44,


lijd omstreeks het einde van de eerste eeuw. Verder kennen wij nog een aantal munten, van Tiberius tot Traianus, die zijn ontdekt bij De Burg. Deze voorwerpen zijn in het thans besproken gebied de veilige, die blijkbaar van een vaste nederzetting uit de Romeinse tijd afkomstig zijn. In dit opzicht passen zij bij hetgeen in Friesland wordt aangetroffen,

V. DE HOGE GRONDEN VAN OVERIJSSEL, DRENTE, FRIESLAND EN GRONINGEN
Het gebied van de hoge gronden in het noordoosten van ons land geeft een geheel ander beeld 1). Althans in Drente is ook gedurende de Romeinse tijd een bewoning van enige betekenis geweest. Men moet aannemen, dat daar de oude bevolking, de mensen die eertijds de hunebedden hadden gebouwd en in het laatst van het Neolithicum de grafheuvels met een houten constructie, nog aanwe­zig was. Die bevolking had gedurende de Bronstijd volkomen onge­stoord verder geleefd. Alleen in de periode van de urnenvelden zijn er nieuwe elementen doorgedrongen; maar blijkbaar is de oude traditie in die streek toch gehandhaafd. Men kan zeggen, dat Drente zijn bevolking van de oudste tijden af heeft behouden. Waarschijnlijk is de ontwikkeling eerst enigszins ernstig gestoord door de Saksi­sche invasie tegen het einde van het tijdperk, dat thans onze aan­dacht heeft.

De hogere gronden van de andere provincies, voornamelijk Twente, de zandstreek van Friesland en de zuidoosthoek van Gro­ningen, sluiten bij Drente aan. Over het algemeen was het aantal inwoners in dit gebied gering en de invloed van de Romeinse cultuur kan nergens veel betekenis hebben gehad. Het was een arme streek, die aan de handel niets kon aanbieden. Intussen bewijzen de vondsten van Romeinse oudheden, die wij in het volgende zullen opsommen, dat er wel degelijk betrekkingen met het gebied ten zuiden van de Rijn zijn geweest.

In Twente is het onderzoek nog niet ver gevorderd. Als voor­naamste vondst kan men de overblijfselen noemen van een inheems dorp, dat onder Losser even buiten de gemeentegrens van Enschede is ontdekt. De sporen in de bodem bewijzen, dat dit dorp uit ronde hutten bestond met een kegelvormig dak; de wanden waren samen­gesteld uit grote palen, verbonden door vlechtwerk, dat met leem
1) T. J. Faber, Nederlandse landschappen (1942), blz. 194-219.
was besmeerd. Op grond van een scherf van terra-nigra, uit de tijd niet lang na het begin onzer jaartelling, kan men vaststellen, wan­neer dat dorp is bewoond geweest.

Verder is in Twente, waarschijnlijk bij Denekamp, een schat van 116 zilveren munten aan het licht gekomen, meestal uit de tijd van de Republiek, maar ook een paar van Augustus waarvan er één ge­dateerd is op het jaar 12 v. Chr. Mogelijk is deze schat tijdens de veldtochten van Drusus verloren gegaan. Anders kan men uit Twente en de rest van Overijssel niet anders dan enige verspreid gevonden munten en enkele oudheden vermelden. Wij moeten alleen nog een vondst noemen, die is gedaan in het veen te Ruitenbroek onder Nieuw-Leusen, bestaande uit een honderdtal denarii, meestal van Vespasianus en Traianus. Een bijzonder grote muntenschat is ont­dekt bij Onna, 2 km ten zuidoosten van Steenwijk, van niet minder dan 240 denarii, meestal uit de tijd van de Republiek, maar ook met een aantal geldstukken van Augustus, waaronder tien met de beeldenaar van Gaius en Lucius Caesar, en negentien munten van Tiberius. Deze schat kan tijdens de veldtochten van Germanicus in de grond zijn verstopt. Ook het gebied van Overijssel is, naar het schijnt, in het geheel niet of slechts zeer dun bevolkt geweest in de Romeinse tijd. Het is intussen mogelijk, dat men door een nauwkeuriger onderzoek in die streek nog meer gegevens over de bewoning zal kunnen verkrijgen.


De vondsten in Drente hebben een enigszins ander karak­ter 1). In dat landschap, dat door grote venen aan alle zijden was afgesloten, heeft de bevolking waarschijnlijk gedurende de Romeinse tijd haar zelfstandigheid gehandhaafd. De invloed van het Rijk kon er zich te nauwernood laten gelden, hoewel de sporen van de Romeinse beschaving niet zo heel zeldzaam zijn. Er zijn slechts weinig toegangswegen, waarlangs deze beschaving naar het Drentsche gebied kon doordringen. De voornaamste loopt over Coe­vorden van het zuiden uit 2); een tweede komt uit de richting van Ommerschans over Kerkenbos naar Hogeveen. Aan die laatsten weg is de zo-even vermelde schatvondst van Nieuw-Leusen ontdekt, terwijl het gebied van Steenwijk, waar de schat van Onna is opgegra­ven, geografisch tot Drente behoort. Een derde weg komt uit het noorden over Groningen en volgt van daar de Hondsrug. Deze wegen sluiten zich aan bij zandige stroken, die door het veen lopen. Waar deze toegangen ontbreken, was het Drentsche land alleen te bereiken langs kunstmatige paden, die de mensen door de veenmoerassen hadden aangelegd. Zulke paden, die met boom­stammen waren versterkt, kent men sedert lang. Reeds in 1818 is de Valther-brug ontdekt tussen Valthe en Ter Apel; later zijn de Buiner-brug en het voetpad van Emmercompascuum gevonden. Men heeft van geen dezer wegen kunnen bewijzen, dat zij in de Romeinse tijd zijn gebruikt. De enige weg, waarvan men het ontstaan heeft kunnen vaststellen, een onlangs bekend geworden knuppelweg
1) Verg. Byvanck, Mnemosyne, 3a s. V (1937), blz. 76-80, met een kaartje.

2) W. Hielkema en A. Terpstra, Mens en Maatschappij, III (1927), blz. 18-24.


in het veen bij Valthe, is veel ouder; die weg dateert uit het laatst van het Neolithicum omstreeks het begin van de Bronstijd.

In elk geval is Drente gedurende de Romeinse periode onzer geschiedenis regelmatig bewoond geweest; maar de bevolking was er schaarsch. Wat wij van deze mensen weten, danken wij voor­namelijk aan de speurzin van Van Giffen. Behalve hun graven in de urnenvelden kennen wij overblijfselen van hun nederzettingen. Ook van hun woningen en de andere gebouwen, die zij hebben op­gericht, zijn wij enigszins op de hoogte. Het voornaamste is even­wel, dat wij iets zijn gaan begrijpen van de evolutie, die zich in dit gebied tegen het einde van de Oudheid heeft voltrokken, aan de ene kant door de Saksische volksverhuizing en aan de anderen kant door een geestelijke omwenteling, die zich uitte door een nieu­wen vorm van bijzetting der doden in de "Jijengrafvelden". De laatste valt evenwel buiten ons bestek.

Wat de urnenvelden aangaat, is het in de meeste gevallen niet mogelijk met enige zekerheid vast te stellen, welke graven uit de eerste eeuwen na het begin van onze jaartelling dateren. Intussen is het voor sommige van die begraafplaatsen duidelijk, dat zij op een terrein liggen, waar van de tijd der hunebedden af tot de grote Volksverhuizing doden zijn bijgezet. Zulk een terrein kennen wij, bij voorbeeld, op een heideveld tussen Odoorn, Valthe, Weerdinge en Emmen, dat Van Giffen heeft onderzocht en waarvan hij zulk een levendig beeld heeft ontworpen. In het bijzonder moeten zijn onder­zoekingen worden genoemd in de urnenvelden van Vledder 1), ge­heel in het westen der provincie Drente, en bij Laudermarke 2), in het zuidoostelijk deel van Groningen, waar de cultuur zeer nauw met de Drentsche verwant is.

De graven uit de tijd onmiddellijk vóór en kort na het begin onzer jaartelling trekken gewoonlijk weinig de aandacht. De kringgreppels ontbreken; meestal vindt men niet anders dan een vlak heuveltje, opgeworpen boven de plaats waar de brandstapel heeft gestaan, soms ook een kuiltje met de overblijf­selen van de dode waarover zand is geschept of wat heideplaggen zijn gestapeld. Voorwerpen treft men in deze graven slechts zelden aan.


Een paar grafheuveltjes die boven de overblijfselen van een brandstapel zijn opgeworpen, kent men uit de buurt der nederzetting aan de grens van de gemeenten Rhee en Vries, die zo straks nog ter sprake zal komen. In een van die heuveltjes is een scherf van
1) A. E. van Giffen, Manmus, 1938, blz. 331-358.

2) Verslag Museum te Groningen, 1935, blz. 47-86.


terrasigillata uit de tweede of de derde eeuw aan het licht gekomen en op die wijze staat de datering vast 1). Dergelijke graven zijn eveneens ontdekt in het veld bij Looveen, waar het eerst de sporen van rechthoekige gebouwtjes zijn vastgesteld, die als de overblijf­selen van kleine tempeltjes worden verklaard 2). Een enkele daar ge­vonden urn vertoont het Saksische type uit de tijd omstreeks 450 tot 500, Dit aardewerk kent men zowel uit het land aan de Elbe als uit Engeland, waar het blijkbaar is ingevoerd door de Angelsaksi­sche veroveraars 3). In de buurt van Emmen zijn grafheuvels ont­dekt, opgericht van zand of plaggen boven de plaats waar de dode is verbrand, daterend uit de Volksverhuizingstijd 4). De velden met in rijen geplaatste graven stammen uit de tijd na de Romeinen; naar men aanneemt, is dit type in de loop van de zesde eeuw naar het thans besproken gebied ingevoerd.
Wat de nederzettingen betreft, moeten wij ons eerst een ogenblik bezig houden met de "heidensche legerplaatsen". In enige van die legerplaatsen heeft Van Giffen een onderzoek ingesteld. Hij heeft in zulk een nederzetting bij Peest haardvuren gevonden en vastge­steld, dat daar mensen van de eerste eeuw v. Chr. af tot de vierde eeuw O. J. hebben gewoond. De legerplaats ten oosten van het hune­bed op het Noordsche Veld bij Z e ij e n 5) bleek bij de opgraving een vijf maal vernieuwde versterking te wezen, die uit de eerste eeuwen na het begin onzer jaartelling dateert. Boven elkaar lagen daar dus vijf van hout en aarde gebouwde vestingen, die met wallen of grachten waren omgeven. De beide laatste zijn op enkele sporen na door de ploeg vernield; de drie oudere tekenden zich daaren­tegen duidelijk in de bodem af.

Van deze drie versterkingen was de oudste, met een oppervlak van ongeveer 1/2 ha, de grootste. De min of meer vierkante aanleg met afgeronde hoeken herinnert aan de Romeinse legerkampen, maar ook aan de inheemsen burcht te Stein, die in afdeling II van het vorige hoofdstuk is besproken. De vesting was voorzien van pen aarden wal met een schoeiing van palen, 3 tot 4 m breed, maar zonder gracht. Aan de frontzijde was een brede poort en smallere, poorten in elk van de drie andere zijden. Langs de wal lagen grote


1) Nieuwe Drentsche Volksalmanak, 1938, blz. 99-10O.

2) T.a.p. 1927, blz. 83-122; verg. 1932, blz. 51-63.

3) A. Plettke, Ursprung und Ausbreitung der Angeln und Sachsen (1921), blz. 64-69.

4) P. C. Bursch, Oudh. Meded. 1937, blz. 57-62; verg. 1942, blz. 48-77. 5) A. E. van Giffen, Nieuwe Drentsche Volksalmanak, 1936, blz. 121-123, afb. 17-19.


drieschepige hallehuizen van enigszins onregelmatigen vorm en meer naar het midden twee kleine vierkante gebouwtjes. Er was evenwel geen centraal hoofdgebouw. De vondsten komen overeen met wat in de terpen wordt aangetroffen en met de voorwerpen, die intussen het karakter van wat later tijd vertoonen, uit de neder­zettingen van de Vijzelkampen bij Eext en van Peelo, waarover wij zo aanstonds zullen spreken. Deze laatste voorwerpen dateren uit de tweede helft van de eerste eeuw o. J.

De tweede vesting was kleiner, ongeveer 0,2 ha groot, voorzien van drie poorten, van een 1,50 m breden wal met een palissade en van grachten. Blijkbaar hebben de bewoners de bouw van een Romeinse sterkte nagevolgd. In het algemeen stammen de vondsten uit de eerste helft van de tweede eeuw. Minder duidelijk herkenbaar was de derde aanleg, niet meer dan 0,1 ha groot, daterend uit de tweede helft van de tweede eeuw of nog een weinig later. Deze nederzettingen bewijzen, dat men zich de trap van beschaving der bewoners van Drente in de Romeinse tijd niet te laag mag voor­stellen. Deze mensen waren immers vernuftig en handig genoeg om zulke gecompliceerde bouwwerken tot stand te brengen.

Een dergelijke nederzetting is ontdekt tussen Rhee en Vries, niet ver van Zeijen 1). In deze nederzetting, die met een palissade was omgeven, lagen naast elkaar de sporen van grote driesche­pige hallehuizen en van kleine vierkante gebouwtjes. Anders dan op het Noordsche Veld, liggen de grote huizen hier in het midden van de nederzetting. Een huis werd daar aangetroffen van 23,50 bij 6,10 m, in bouw overeenkomend met de hoeve van Fochtelo, die zo aanstonds ter sprake zallkomen. Het aardewerk, dat daar werd ge­vonden, dateert ongeveer uit de tijd van de tweede tot de vierde eeuw; er waren ook scherven van terrasigillata bij uit de tweede en de derde eeuw. Geometrisch versierde ceramiek, in type overeen­komend met de vondsten uit de oudsten terpentijd, getuigt voor intieme betrekkingen met de kleistreken. Ander aardewerk werd daar ontdekt, dat men beschouwt als karakteristiek voor de Cauchen.

Behalve de grote huizen werden in deze nederzetting ook de eigenaardige rechthoekige hutkommen aangetroffen, die men moet toeschrijven aan de Saksen, die in deze streek en in het terpen- gebied tegen het einde van de Romeinse periode een inval hebben gedaan. Deze hutten vertoonen een veel primitiever vorm van wo­ning, niet anders dan een kuil in de bodem, die met een zadeldak


1) Van Giffen, t.a.p. 1937, blz. 78-83, afb. 7-10; 1938, blz. 95-101, afb. 2-6; 1940, blz. 192-200, afb. 10-22.
was overdekt. Met deze woningen staan enkele stukken Saksisch aardewerk in verband. Naar men aanneemt, heeft deze nieuwe be­volking Drente bereikt van het waddengebied uit langs de hogen zandrug, waar Groningen op ligt 1).

Bij deze nederzetting behoren een paar brandheuvels, dat wil zeggen, heuvels die boven de overblijfselen van een brandstapel waren opgeworpen. Men kon nog vaststellen, dat zulk een brand­stapel op stutten een eind boven de grond was opgericht. Ten wes­ten en ten zuidwesten van die heuvels vond men sporen in de bodem, die als de grensgreppels van akkers en perkjes worden ver­klaard. Daarbij denkt men aan perkjes als in de "heidensche leger­plaatsen" worden aangetroffen.

Tamelijk uitgebreid was ook de reeds genoemde nederzetting in de Vijzelkampen bij Eext onder Anlo 2). Bij verschillende gelegen­heden werden daar hutkommen opgegraven. Voor de datering is het fragment van een schaal van terrasigillata uit de derde eeuw van belang. Deze plaats is dus in de tweede en de derde eeuw bewoond geweest. - Inheemse woningen uit de keizertijd zijn ook ge­vonden bij Diphoorn onder Sleen 3).

Het zijn de overblijfselen van een nederzetting uit de eerste en de tweede eeuw. Een daar ontdekte hutkom bevatte scherven, overeenkomend met de vondsten uit de eerste nederzetting bij Zeijen. Andere sporen kan men verklaren als de overblijfselen van hallehuizen, gelijk te Zeijen en te Ezinge aan het licht zijn gekomen. Toch kan men enkele verschillen bij de bouw der woningen in die verschillende plaatsen opmerken. In elk geval moet men de Drentsche huizen uit de keizertijd met meer recht als de voorgangers van de "Saksische" boerenwoning be­schouwen. Men zou dus van een "Proto-Saksisch" huis kunnen spreken.

Er zijn nog enkele andere voorbeelden van nederzettingen uit de keizertijd in Drente bekend. Wij bepalen ons hier tot een vondst te Fochtelo, in het zuidoosten van de provincie Friesland op de grens van Drente. Daar heeft Van Giffen in het hoogste deel van een uit het veen oprijenden zandrug een inheemse boerderij ont­dekt, die door een palissade was omgeven. Het voornaamste gebouw was een groot hallehuis, niet minder dan 27 m lang en 7 m breed. Er werd daar een enkele Romeinse scherf gevonden en vooral
1) Voor een Germaans dorp verg. O. Doppelfeld, Praehist. Zeitschr. 28-29 (f939), blz. 284-337.

2) Van Giffen, Nieuwe Drentsche Volksalmanak, 1934, blz. 112-116, afb. 9; 1937, blz. 7O.

3) Van Giffen, t.a.p. 1936, blz. 123-129, idb. 20-21.
aardewerk, dat overeenkomt met de vondsten in de terpen. De hoeve moet uit de tweede eeuw dateren.

Eindelijk vermelden wij nog enige van de "heidensche legerplaat­sen", die de Engelschen "celtic fields" noemen. Een aantal daarvan is in de laatste jaren onderzocht. In de legerplaats onder Sleen vond men de overblijfselen van schuren voor het bewaren van graan, op het Noordsche Veld bij Zeijen sporen van perkjes met hun omwalling, van woningen en van haardvuren. Blijkbaar waren het omheinde en omwalde stukken bouwgrond, waar de mensen konden wonen en hun graan opslaan. De omwalling diende om de kostbaren inhoud te beschermen.

Ten slotte moge hier nog een overzicht volgen van een aantal vondsten van Romeinse oudheden, die in Drente zijn gedaan, ten einde een indruk te geven van de invloed, die de Romeinse cultuur in dat gewest heeft gehad. Enkel muntvondsten kunnen duide­lijk maken, langs welke wegen deze invloed Drente heeft, bereikt. Uit dit oogpunt krijgen de munten, die eensdeels te Hogeveen en anderdeels bij Coevorden, Dalen, Wachturn en Sleen zijn ontdekt, voor ons een bijzondere betekenis. Om dezelfde reden wordt onze aandacht getrokken door een nederzetting op het Hoge Loo bij Noord-Barge, waar allerlei voorwerpen uit de Romeinse keizer­tijd aan het licht zijn gekomen, als bronzen beeldjes, een terracotta die drie godinnen voorstelt, bronzen huisraad en scherven van aar­dewerk. Enkele in de nabijheid ontdekte voorwerpen bewijzen, dat men in de Romeinse tijd van de hogen rug, waar deze vond­sten zijn gedaan, heeft gebruik gemaakt om in die moeilijk toe­gankelijke streek door te dringen. In dit verband kan men scherven van aardewerk uit Munsterscheveld en munten uit Emmererfscheide­veen en Valtherveen noemen.

Andere oudheden kent men uit het gebied langs de weg, die over­den Hondsrug heeft gelopen, als munten bij Odoorn, Drouwen, Gasselte, Eext, Gasteren en Schipborg, een Romeinse ring bij Westdorp onder Borger en een beeldje van Juppiter onder Zuidlaren. Ook bij Rolde is een Romeinse munt ontdekt en bij Ballo, in 1839, 1871 en later, in het geheel meer dan 350 zilveren munten, van Ves­pasianus tot Marcus Aurelius, Faustina II en Lucius Verus, blijkbaar afkomstig van een daar verborgen schat.


Behalve in het zuidwesten, in de buurt van Emmen, is er ook in het noordwesten een centrum voor de bewoning geweest in de om­geving van Zeijen, waar een aantal Romeinse oudheden voor de dag is gekomen. Verder kunnen wij nog enkele andere oudheden noemen, als een bronzen munt van Traianus uit Bovensmilde, een gouden munt van Arcadius uit Smilde, een gouden munt van Valen­tinianus uit Beilen. Een paar merkwaardige voorwerpen vermelden wij, ten slotte, uit Leggelo; daar is een keldertje ontdekt, gebouwd van brokken graniet, waarschijnlijk het overblijfsel van een put voor drinkwater, en een torso van kalksteen van een liggende nimf uit de tweede eeuw.

De hoge gronden van Overijssel, Friesland en Groningen sluiten, wat hun structuur en wat de aard van de ontdekte voorwerpen aan­gaat, bij Drente aan. Alleen zijn de vondsten er nog schaarscher. Dat de omgeving van Steenwijk, waar de tnuntenschat van Onna le voorschijn is gekomen, geografisch bij Drente behoort, hebben wij reeds opgemerkt. Een gedeelte van deze schat is gekocht voor het Museum te Assen, daar als vindplaats de Bisschopsberg bij Havel te was opgegeven. Als vondsten uit Friesland kan men een paar muft- ten van Tiberitts en Domitianus noemen, ontdekt onder Oudeschoot bij een brug over de Tjonger, die dus ook in de Romeinse tijd reeds een vaarwater is geweest, verder een munt van Antoninus Pius, gevonden bij Legerveer, en een munt van Gordianus aan de Lemmer. Uit het noorden van de provincie kent men munten van Traianus en Antoninus Pius uit Augustinusga en een munt van Gaius (Caligula) uit Gerkesklooster. Dit zijn evenwel niet anders dan toevallig ver­loren gegane voorwerpen, die ons over de bewoning niet inlichten.

Niet veel anders staat het met de vondsten op de hogere gronden in Groningen. Dergelijke munten en enige andere Romeinse voor­werpen zijn op verschillende plaatsen in de stad Groningen voor de dag gekomen en verder te Midwolde en te Faan onder Oldekerk in het zuidwesten van de provincie. Uit het oostelijke deel kent men dergelijke voorwerpen uit Onnen, Hogezand, Slochteren en Zuid­broek. Blijkbaar zijn ook deze voorwerpen bij toeval in de grond gekomen. Enigszins anders staat het met de vondsten in Wester­wolde te Wedde, Vlachtwedde en Boertange. Daar is blijkbaar, evenals in Drente, een regelmatig bewoond gebied geweest. Dat blijkt uit de grafvelden, die door Van Giffen zijn onderzocht. Het was altijd een arme streek, waar de mensen een poover bestaan had­den. Maar de Romeinse voorwerpen, die er zijn ontdekt, bewijzen toch, dat de bevolking enige aanraking had met de buitenwereld. Voornamelijk wordt onze aandacht getrokken door een vondst bij Kopstukken onder Onstwedde, bestaande uit 41 munten van Romeinse keizers uit de vierde eeuw.


Yüklə 1,73 Mb.

Dostları ilə paylaş:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   26




Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©muhaz.org 2024
rəhbərliyinə müraciət

gir | qeydiyyatdan keç
    Ana səhifə


yükləyin