Onderwijspsychologie, Woolfolk Hoofdstuk 1, Teachers, Teaching and Educational Psychologie Educational psychology



Yüklə 178.66 Kb.
səhifə1/3
tarix13.11.2017
ölçüsü178.66 Kb.
  1   2   3

Onderwijspsychologie, Woolfolk
Hoofdstuk 1, Teachers, Teaching and Educational Psychologie
Educational psychology: gaat over een breed gebied van training en werk van educatie psychologen die psychologische theorieen, onderzoek en technieken toepassen voor kinderen en jong volwassenen met mogelijk leermoeilijkheden, emotionele en gedragsmatige moeilijkheden.

Educational psychologists:



  • Werken met kinderen en jong volwassenen met moeilijkheden.

  • Worden inhehuurd door locale educatie autoriteiten, of werken zelfstandig.

  • Werken meestal samen met ouders, leraren ed.

In contrast staat de psychology of education: een discipline die zich bezig houdt met onderwijzen en leerprocessen. Ze passen de methoden en theorieën toe was de psychologie om te onderwijzen en te leren en hebben ook hun eigen methoden en theorieën.
Een positieve relatie van leraar met leerling is een krachtige kracht voor leerlingen. Leerlingen met problemen hebben het meeste baad bij goed onderwijzen.
Een mening is dat onderwijzen een op theorie gebaseerde wetenschap is. Anderen zeggen dat onderwijzen reflective is: bedachtzaam en inventief, deze denken terug over de situaties en denken aan wat ze gedaan hebben en waarom en zich afvragen hoe ze dat kunnen verbeteren, met respect voor plaats, tijd en taak.
Expert teachers: ervaren, effectieve leraren die oplossingen hebben ontwikkeld voor veel voorkomende klasproblemen. Hun kennis over onderwijsprocessen en uitvoering is goed en goed georganiseerd. Ze hebben systemen van kennis voor het begrijpen van problemen. Er zijn 7 gebieden van professionele kennis:

  1. hun kennis is diep en interverbonden

  2. algemene onderwijsstrategieen die opgaan voor ieder onderwerp

  3. ze kennen het curriculum materiaal en programma’s

  4. ze kennen onderwijsafhankelijke kennis

  5. ze kennen de karakteristieken en culturele achtergronden van leerlingen

  6. ze kennen de settings waarin leerlingen leren (paren, kleine groepen, klassen ed)

  7. ze kennen de doelen wat het onderwijs

wat ze ook moeten kennis is zichtzelf, hun eigen bias, sterkte en zwaktepunten.

Om iets te weten over de psychologie van de educatie moet je kennis hebben over de pupillen, leren en motivatie en teaching en assessing.


Educational psychologie ontstond in de mid 1900’s. in ’40 en’50 concentreerde het zich op de individuele verschillen, assessment en leergedrag. In de ’60 en ’70 veranderde dit naar een richting van cognitieve ontwikkeling en leren, hoe leren individuen concepten en onthouden deze. Nu wordt er gekeken wat het effect is op het leren bij culturele en sociale factoren.

Educational psychology is een discipline met zijn eigen theorieën, onderzoeksmethoden, problemen en technieken. Vroeger en nu bestuderen ze nog steeds leren en onderwijzen. Er zijn twee grote taken in de educational psychology: 1) onderzoek uitvoeren om mogelijke relaties te onderzoeken. 2) combineren van resultaten en theorieën.
Descritive studies: studies die gedetailleerde informatie verzamelen over specifieke situaties waarbij ze vaak observeren, survey’s gebruiken, interviews afnemen of een combinatie van deze. Ze beschrijven gebeurtenissen. Een benadering daarbij is klas ethnography: focust op het leven binnen een groep en probeert de betekenis van gebeurtenissen te begrijpen. Ze richten zich hierbij op de natuurlijke gebeurtenissen.

Soms wordt er gebruik gemaakt van participant observation: een methode waarin de onderzoeker een participant wordt om zo een beter zicht te krijgen op het leven in een groep. Ook kan er gebruik worden gemaakt van een case study: een uitgebreide studie van 1 persoon of 1 situatie, bijvoorbeeld hoe een leraar een les plant.


Correlation study: vaak worden de resultaten van een beschrijvend onderzoek vertaald naar correlaties. Correlaties is een statistische beschrijving van hoe nauw twee variabelen met elkaar gerelateerd zijn. Het gaat om de sterkte en de richting van de relatie. Het gaat van 1.00 tot -1.00.

Positieve correlatie: een relatie tussen twee variabelen bij welke meer of minder worden tegelijk. Negative correlatie: een relatie tussen twee variabelen waarbij een vergroting van de ene geassocieerd wordt met een verlaging van de ander.

Correlatie is geen causatie! (figuur 1.1, blz 17)


Een ander soort onderzoek is het experiment: een onderzoeksmethode waarbij variabelen worden gemanipuleerd en de effecten beschreven worden. Participanten/subjects: mensen of dieren die bestudeerd worden. Om mensen te selecteren is een manier: Random: selectie zonder zichtbaar patroon die geen regels volgen. Als resultaten statistically significant zijn dan is het niet waarschijnlijk dat ze bij andere omgevingen en gebeurtenissen veranderen.

In veel gevallen gaan descriptieve en experimentele onderzoeken samen.



Single-subject experimental design: systematische interventies om het effect te bestuderen op 1 persoon, vaak door het toe te passen en in te trekken van een behandeling. Bijvoorbeeld een ABAB experiment.

Microgenetic study: gedetailleerde observatie en analyse van veranderingen in een cognitief proces over een aantal dagen of een week. Dus het bestuderen van cognitieve veranderingen in een periode van verandering.

Action research: systematische observaties of testen van methoden uitgevoerd door de leraar om het onderwijs te verbeteren. Principle: een aangenomen relatie tussen factoren. Theory: een geïntegreerde uitspraak van principes die uitleg geven aan een fenomeen en voorspellingen doet.
Samenvattingstabel op blz 23.


Hoofdstuk 2, Cognitive development and language
Development: ordelijke aanpassende veranderingen die we doormaken van geboorte tot de dood.

Deze ontwikkeling gaat in op een aantal aspecten:



  • physical development: veranderingen in lichaamsstructuur en functie na verloop van tijd.

  • Personal development: veranderingen in persoonlijkheid die plaatsvinden als je groeit.

  • Social development: veranderingen in de tijd in onze relatie met anderen.

  • Cognitive development: graduele ordelijke veranderingen waarin mentale processen complexer en toegespitster worden.

Veel veranderingen zijn een vorm van groei en maturation: genetisch geprogrammeerd, ze gebeuren natuurlijk in de tijd.
Principes van ontwikkeling:

  1. mensen ontwikkelen zich in verschillende sterkten (rates): het ene kind leest sneller dan de andere.

  2. Ontwikkeling is relatief ordelijk: je kunt eerst zitten voor je kunt lopen ed.

  3. Ontwikkeling gaat geleidelijk: veranderingen gaan zelfden in 1 dag.

Cerebellum (kleine hersenen): coördinatie en het gladjes verlopen van bewegingen.

Hippocampus: zit in de temporale lobe, belangrijk voor het ophalen van nieuwe informatie en recente ervaringen.

Amygdala: sturen van emoties.

Thalamus: betrokken bij het leren van nieuwe dingen. Deze laatste twee liggen diep in de hersenen.

Formatio reticularis: is een deel van de hersenstam, speelt een rol bij attentie en arousal.

Corpus callosum: stuurt informatie van de ene kant van de hersenen naar de andere.
Cerebrale cortex: grootste buitenste plaat van de hersenen gaan over complexe problemen en taal. Dit deel is bij mensen groter dan bij de lagere dieren. Deze ontwikkeld zich het laatst. Hier zitten ook de meeste neuronen: zenuwcellen die informatie opslaan en doorsturen.
1 maand na bevruchting beginnen de hersenen te ontwikkelen. Neuronen leggen synapsen aan: kleine ruimten tussen neuronen, er worden chemische berichten overgegeven tussen deze ruimten.

Bij de geboorte hebben we alle neuronen die we ooit zullen hebben. Het aantal synapsen neemt toe in de eerste levensjaren. Alleen de neuronen die gebruikt worden overleven. Dit proces heet pruning (collegeaantekeningen).


Er zijn twee soorten overproductie en pruning. De ene is experience-expectant: (ontwikkeling) synapsen worden over geproduceerd en wachten op stimulatie. Deze vorm is erg belangrijk in grote delen van de hersenen. De tweede is experience-dependent: (leren) ‘use it or lose it’, hier worden synapsen gevormd die gebaseerd zijn op de individuele ervaringen. Wordt gebruikt bij individueel leren, zoals het leren uitspreken van een vreemde taal.

Bij beide is stimulatie belangrijk.


Als er schade optreed hebben de hersenen in ieder geval nog hun plasticity: kwaliteit van de hersenen om in zekere zin het aanpassingsvermogen en flexibiliteit te behouden. Een andere factor die van belang is bij het leren en denken is myelination: het proces waarbij neuronen worden omvat met wattige scheden welke myeline heet. Hierdoor gaat berichttransfers efficiënter.
De cerebrale cortex ontwikkeld zich langzamer dan de rest van de hersenen. Eerst komt het gebied van de fysieke motor-movements, dan komt zicht en gehoor en als laatst de frontale lobe welke de denkprocessen beheerst. De temporale lobe waarin emoties en taal zitten ontwikkelen zich zelfs tot in de basisschool/begin middelbare school.
Lateralisation: de specialisatie van de twee hemisferen van de hersencortex.

Sommige leerstoornissen hebben een neurologische basis.


Piaget’s Theory of Cognitive Development
Kinderen denken volgens hem anders dan volwassenen. Kinderen weten nog geen concepten van elkaar de onderscheiden en bij elkaar onder te brengen. De manier van denken veranderd radicaal maar langzaam. 4 factoren:

  1. biological maturation (rijping): het uitvouwen van genetische geprogrammeerde veranderingen.

  2. activity

  3. social experiences: ook wel het leren van anderen.

  4. equilibration (evenwicht/balans): het zoeken naar mentale balans tussen cognitieve schema’s en informatie uit de omgeving. Hierdoor komen de daadwerkelijke veranderingen in het denken. Disequilibration: dit is in de theorie van Piaget de staat van het uit balans zijn wanneer een persoon er achter komt dat zijn bestaande manier van denken niet werkt bij het probleem oplossen of een oplossing begrijpt.

Twee basis tendencies van Piaget:



  • Organisation: het continue proces van het omzetten van informatie en ervaringen in mentale systemen en categorieën. Schemes: mentale systemen of categorieën van perceptie of ervaring. Deze tijd de bouwstenen van denken.

  • Adaptation: aanpassing aan de omgeving. Er zijn twee processen in betrokken:

    • Assimilation: nieuwe informatie inpassen in bestaande schema’s. mensen gebruiken hun bestaande schema’s om sense te maken van de wereld.

    • Accommodation: het wijzigen van bestaande schema’s of het creëren van nieuwe als reactie op nieuwe informatie.


stadia van cognitieve ontwikkeling


  1. sensorimotor – 0-2 jaar (betrekking op sensorische en motorische activiteit)

    1. begin van denken, geheugen en immitatie

    2. begin met de gedachte dat objecten niet helemaal weg zijn als ze verborgen zijn (object permanence)

    3. het gaan van reflex naar doelgericht: goal-directed actions



  1. preoperational – 2-7 jaar

    1. graduele ontwikkeling van taal en symbolisch denken (semiotic function: de mogelijkheid om symbolen, taal, foto’s en tekens te gebruiken)

    2. mogelijkheid tot het overdenken van acties = operations

    3. moeilijkheden met het begrijpen van een zichtpunt van een ander.

Het is moeilijk om reversible thinking te doen: achteruit denken.

Decentring: het focussen op meer dan 1 ding tegelijk. Ook hebben de kinderen in deze fase de gevoeligheid om egocentric te zijn: de aanname dat mensen de wereld waarnemen zoals jij dat doet. Ook hebben ze Collective monologue: vorm van praten waarin kinderen in een groep praten maar niet echt een interactie of communicatie hebben.


  1. Concrete operational – 7-11 jaar

    1. Mogelijkheden tot het oplossen van concrete problemen (Concrete operations)

    2. Begrijpt de wetten van concervatie (principe dat sommige karakteristieken van een object veranderen terwijl ze wel hetzelfde blijven) en kan classificeren

    3. Het begrijpen van omkeerbaarheid (reversibility)

Volgens Piaget zijn er 3 basisaspecten van redeneren om conservation problemen op te lossen:

      • Identity: principe dat een persoon of een object het zelfde blijft als de tijd verstrijkt.

      • Compensation: principe dat verandering in 1 dimensie een verschuiving kan zijn van een verandering in een andere dimensie.

      • Reversibility: de mogelijkheid om te denken voor een aantal stappen en dan terug te gaan over die stappen en te komen bij het beginpunt, dit heet ook wel reversibily thinking.

Ook in deze fase: classification: het groeperen van objecten in categorieën.

Seriation: het zetten van objecten in een bepaalde volgorde zoals grootte/gewicht ed.


  1. Formal operational – 11-volwassen leeftijd Formal operations: mentale taken met betrekking op het abstracte denken en coördineren van een aantal variabelen. Hier komen de veranderingen van ‘wat is’ naar ‘wat zou het zijn’.

    1. Mogelijkheid tot het oplossen van abstracte problemen

    2. Ze worden meer wetenschappelijk in het denken

    3. Ontwikkeling van zorgen over sociale onderwerpen en identiteit

De adolescent heeft de hypothetico-deductive reasoning: een formal-operation probleem oplossings strategie waarbij een individu begint met het identificeren van alle factoren die met het probleem te maken kunnen hebben en dan systematisch verschillende oplossingen evalueerd.

Een andere karakteristiek is de adolescent egocentrism: de aanname dat iedereen jou gedachten, gevoelens en zorgen deelt.


Sieghler’s benadering: = ‘rule assessment’: terwijl kinderen ouder worden ontwikkelen ze steeds betere regels en strategieën om problemen op te lossen en logisch te denken. Het focust op begrip, uitdaging en het veranderen van de regels.

Er zijn de neo-Piagetian theories: ze houden de ontwikkelfases vast, maar voegen bevindingen over de information-processing van de rol van attentie, geheugen en strategieën toe.
Problemen van de Theorie van Piaget:


  • Problemen met fases: door het ontbreken van consistentie in het denken van kinderen zijn de fases niet hard te onderscheiden.

  • Onderschatten van de mogelijkheden van kinderen: deze onderschatte Piaget.

  • Cognitieve ontwikkeling en cultuur: deze theorie kijkt niet naar de cultuur en de sociale omgeving van kinderen.


Vygotsky’s Sociocultural Perspective
Cultuur vormt de cognitieve ontwikkeling van een kind.

Sociocultural theory: benadrukt de rol in ontwikkeling van kinderen bij coöperatieve dialogen en met mensen die meer kennis hebben in de gemeenschap. Kinderen leren over de cultuur van de gemeenschap.
Hij geloofde dat menselijke activiteit plaats vind binnen een culturele setting en dat deze niet begrepen kunnen worden zonder deze setting. Omdat onze mentale structuren en processen getraceerd kunnen worden door onze interacties met anderen.

Hij dacht dat elke culturele ontwikkeling twee keer voorkwam. 1 keer op sociaal niveau en 1 keer op individueel niveau, eerst tussen mensen (interpsychological) en dan binnenin het kind (intrapsychological). Dus hogere mentale processen zijn eerst co-constructed: een sociaal proces waarin mensen interacteren en overleggen om zo begrip te krijgen of om zo een probleem om te lossen. Het eindproduct wordt gevormd door elke participant.


Ze vonden beiden interactie belangrijk, alleen Piaget zag die in een andere rol. Piaget dacht dat interactie zorgde voor een ontwikkeling door het creeeren van disequilibrium (cognitieve conflict). Dus interactie was volgens Piaget het beste tussen peers, omdat die gelijken zijn.
Vygotsky benadrukte het belang van Tools, cultural tools: de echte tools (computers, schalen en regels) en het symbolische systeem (nummers, taal en grafieken), deze staan mensen in een gemeenschap toe om te denken, communiceren, kennis te vergaren en problemen op te lossen.
Taal is belangrijk voor cognitieve ontwikkeling.

Private speech: children’s self-talk, die hun gedachten en acties geleiden. Vygotsky zei dat dit kwam door self-regulation en Piaget zei dat het kwam door egocentric speech. (blz 55).
Zone of proximal development (ZPD): is de ruimte tussen de huidige ontwikkeling van een kind (door te kijken naar het onafhankelijk oplossen van een probleem) en de mate van ontwikkeling die haalbaar is voor een kind. Dus: fase in welke een kind een taak kan volbrengen indien genoeg support en hulp wordt aangeboden.

Maar Vygotsky legde niet uit wat die cognitieve processen dan zijn. Piaget was meer geïnteresseerd in de gedachten van kinderen dan het helpen van de leraren.


Er zijn 3 manieren waarop iets doorgegeven kan worden op een ander:

  • Imitative learning: de ene doet de ander na.

  • Instructed learning: leerlingen volgen instructies op en gaan daarna over op zelfregulatie.

  • Collaborative learning: wanneer een groep peers ernaar streeft om elkaar te begrijpen en leren komt voort uit dat proces.

Vygotsky ging het meest naar instructive learning door directe les of gestructureerde ervaringen. Hij dacht dat cognitieve ontwikkeling kwam door de omgang met beterwetenden uit een gemeenschap. De meeste begeleiding komt vanuit de taal (in westerse gemeenschappen in ieder geval).

In sommige culturen is observeren van iemand die een moeilijke handeling uitvoert gebruikelijk. Bruner noemde dit laatste scaffolding: steun om te leren en om problemen op te lossen. Deze steun kunnen zijn: hints, herinneringen, aanmoediging, probleem verdelen in kleinere stukken, een voorbeeld laten zien of wat dan ook die een leerling laat groeien in onafhankelijkheid.



Assisted learning: bieden van strategische hulp in de verschillende fases van leren/ontwikkeling. Deze hulp neemt gestaag af terwijl de leerling meer zelfstandigheid ontwikkeld. Strategieen van assisted learning in tabel 2.3, blz 62.
Ontwikkeling van taal
Biologische en experimentele factoren spelen een rol bij de taalontwikkeling.

  • Bij 1 jr: 1 a 2 woorden zeggen, namen herkennen

  • 1 – 2 jr: 5 tot 20 woorden, 2 woord zinnen, zwaaien

  • 2 – 3 jr: herkent lichaamsdelen, zegt ‘ik’ tegen zichzelf, combineren van werkwoorden

  • 3 – 4 jr: kan verhaal vertellen, zinnen van 4 a 5 woorden, kent 1000 woorden, kent achternaam basis voor taal is hier gelegd

  • 4 – 5 jr: kan in verleden spreken, kent 1500 woorden, herkent kleuren en vormen, vraagt vaak ‘waarom’ en ‘hoe’

  • 5 – 6 jr: zinlengte van 5 a 6 woorden, kent 10000 woorden, herkent objecten door gebruik

Er zijn 3 benaderingen voor taal:



  1. behavioural theories (nurture): deze waren populair in het midden van de 20e eeuw. Kinderen leren taal hier door reinforcement (skinner).

  2. nativist theories (nature): kinderen zijn biologisch geprogrameerd om taal te ontwikkelen (chomsky). Lenneberg geeft aan dat er een ‘critical period’ is waarin mensen taal ontwikkelen.

  3. social interactionist theories (combination of nurture and nature): Bruner.

Wat er overblijft voor de schoolleer:



  • uitspraak

  • grammatica

  • vocabulair en betekenis

  • Pragmatics: de regels van wanneer en hoe je taal moet gebruiken om een effectieve communicator te worden in een bepaalde cultuur

  • Metalinguistic awareness: begrip van diens eigen gebruik van taal.

Het is een misvatting dat kinderen een tweede taal makkelijker leren dan adolescenten of volwassenen. Zelfs gaan ouderen sneller door de verschillende fases van het leren door. Vor uitspraak echter is er wel een kritische periode. Hoe eerder je begint met een tweede taal, des te beter is de uitspraak.



Voordelen van tweetalige opvoeding: correlationeel verband met verhoogde cognitieve mogelijkheden zoals conceptformatie, creativiteit en cognitieve flexibiliteit.
Cultuuronderzoek laat zien dat Piaget accuraat was met zijn verschillende fases.
Vergelijkbaarheden in ontwikkeling van taal:

  • Cognitieve ontwikkeling vereist zowel fysieke als sociale stimulatie

  • Om het denken te ontwikkelen moeten kinderen mentaal, fysiek en linguïstisch actief zijn, ze moeten ermee experimenteren. Maar ze hebben ook baad bij leskrijgen, leiden, voordoen ed.

  • Spelen speelt een rol. Het is een manier waarop kinderen hun denken nuitproberen.

  • Iets proberen te leren wat kinderen al weten is saai en iets leren waar een kind nog niet aan toe is frustrerend en ineffectief.

  • Uitdaging met begeleiding is stimulerend.


Hoofdstuk 3, Personal, Social and Emotional Development
Fysieke ontwikkeling

  • Pre-schooljaren: kinderen worden zeer actief. Hun spieren worden groter en balans wordt beter. Ook de fijne motoriek verbeterd.

  • Vroege schooljaren: fysieke ontwikkeling gaat gestaag door.

  • Adolescenten: puberty: de fysiologische veranderingen tijdens de adolescentiefase die leiden tot de mogelijkheid van voortplanting. Het is het begin van seksuele rijping. Kinderen kunnen in deze tijd ook problemen met de identiteit krigjen. Bulimia: een eetstoorlis die gekarakteriseerd wordt door overeten en het dan kwijt raken door een vinger in de keel of laxeermiddelen (ookwel binge eating). Anorexia nervosa: eetstoornis door veel te weinig voeding binnen te krijgen (self-starvation). Beide zijn meer bij vrouwen dan bij mannen.

  • Ontwikkeling van adolescent en hersenen: ze leren om het gedrag te beheersen, meer doelgerichter te zijn en meer georganiseerd. Soms lijken adolescenten volwassen maar zijn dit nog niet, de hersenen zijn zich nog steeds aan het ontwikkelen.


Freud: fases van individuele ontwikkeling
Beschrijving van de persoonlijkheid door middel van:

  • Id: de instinctieve behoeftes en verlangens die aanwezig zijn vanaf de geboorte. Ookwel het minimax principe: maximaal plezier en minimale pijn. De persoonlijkheid van een pasgeborene bestaat alleen hieruit.

  • Ego: verantwoordelijk voor het handelen met de realiteit en het zorgt voor de voldoening van de behoeftes van de id in een sociaal acceptabele manier.

  • Superego: behoud alle morele principes en ideeën die aangeleerd zijn door ouders en gemeenschap. Het is opgebouwd uit het conscience: informatie die gezien worden als slecht gestraft door schuld, en het ego-ideal: standaard van het goede wat beloond wordt door het gevoel van trots.

Freud zei dat ontwikkeling gaat door een aantal psychoseksuele stages: die zijn predetermined en differentiated. Elke fase bestaat uit een conflict tussen id/ego en superego. Als dit niet gebeurt raakt de persoon fixated: een persoon blijft steken op een zekere psychoseksuele fases en dit is terug te zien in de persoonlijkheid van iemand. Ook komt er dan regress: een persoon keert terug naar een eerdere fase van ontwikkeling in stressvolle situaties.

Deze fases van Freud gaan om de vroege ontwikkeling van een kind.


Er is ook kritiek op Freud, mn doordat het geen wetenschappelijke legitimiteit heeft. 4 categorieen:

  1. theorie is untestible

  2. geen empirical evidence (experimental data)

  3. het heeft geen predictive value

  4. het is gebasseerd op zijn eigen subjective analysis


Attachment theory
Attachment: de emotionele band tussen het kind en de verzorgende. Dit gebeurt in het eerste levensjaar en is belangrijk voor de rest van het leven. O.a. door Bowlby: de behoefte aan attachment is een intrinsieke biologische behoefte.

Ainsworth kwam met verschillende bindingstypen:



  1. Angstig/negeren: het kind is niet gestresst als de moeder weggaat en negeert of keert de rug toe als ze terug komt.

  2. Veilig gebonden: het kind is gestresst als de moeder weggaat en makkelijk te kalmeren als ze terug komt.

  3. Angstig/gehard (resistent) (anxious/ambivalent): het kind is in eerste instantie erg plakkerig en daarna erg gestresst wanneer de moeder weggaat. Wanneer ze terug komt is het kind zowel aanhalig als afstand nemend.

Kinderen die veilig gebonden zijn maken eerder vrienden, zullen eerder een probleem oplossen en zijn sociaal en cognitief beter.

Verzorgenden moeten zorgen voor een secure base: zorgen voor een veilige basis om vandaaruit het kind de wereld te laten ontdekken. Sensitive responsiveness: de mogelijkheid van een moeder/verzorgende om accuraat, direct en juist te reageren op de behoeften van een kind.


Erikson: The Individual and Society
Erikson’s psychosocial theorie: beschrijft de relatie tussen de emotionele behoeften van een individu en de sociale omgeving. Deze heeft veel weg van de psychoseksuele theorie van Freud, alleen is seksuele vervangen door sociale. Erikson benadrukt de zoektocht naar identiteit, de ‘ik’, de relatie met anderen en de cultuur. Ook heeft hij gemeen met freud dat mensen een developmental crisis krijgen: een specifiek conflict van welke de oplossingen zorgen voor de weg naar de volgende fase.

In de preschool fase is de basis van conflict de trust vs mistrust. De tweede fase is die van autonomy (onafhankelijkheid) vs schaamte en twijfel. Deze tweede fase is het begin van zelfcontrole en zelfverzekerdheid. Ouders moeten hier beschermend zijn, maar niet te. De derde fase is die van initiative (de bereidheid om nieuwe activiteiten en nieuwe richtingen te beginnen) vs schuld. De uitdaging in deze periode is om enthousiast te blijven voor activiteit.

Als kinderen naar school gaan heb je een hele nieuwe fase: industry (begeerte om betrokken te zijn bij productief werk) vs inferiority.
Identity: het complexe antwoord op de vraag: ‘wie ben ik’. Dus identity vs role confusion.
Marcia vind date r 4 alternatieven zijn voor adolescenten afhankelijk van of ze opties onderzocht hebben en commitments gemaakt hebben:


  1. Identity diffusion: gespreidheid, verwarring over wie men is en wat men wil. Dit gebeurt wanneer mensen geen opties willen ontdekken en er ook geen commitment is voor enige actie. Ze komen niet tot het beantwoorden van de vraag. Deze mensen kunnen apathisch zijn en hebben weinig hoop voor de toekomst. Ze gaan vaak mee met de meerderheid (drugsgebruik).

  2. Identity foreclosure: acceptatie van de ouderlijke keuzes in het leven zonder opties te overwegen. Ze experimenteren niet met verschillende identiteiten. Deze mensen zijn rigide, intolerant, dogmatisch en verdedigend.

  3. Moratorium: Identiteitscrisis, het uitstellen van keuzes door het gestruggel. Het is een soort vertraging naar het goede. Dit komt vaak voor en is in zekere zin ook wel gezond.

  4. Identity achievement: Sterk gevoel van commitment met de levenskeuzes na het vrij overwegen van de verschillende opties. Weinigen hebben dit bereikt als ze van school af gaan als ze 16 jaar zijn.

Allebei moratorium en identity achievement zijn gezond.
Na school zijn er ook nog dingen waar mensen tegenaan kunnen lopen, zoals relaties. Intimacy vs isolation. Daarna volgt generativity (gevoel van zorgen over toekomstige generaties) vs stagnation.

De laatste fase van Erikson is integrity (gevoel van zelfacceptatieen vervullendheid) vsespair.


Bronfenbrenner: The Social Context for Development
Hij bedacht het bioecological model: deze theorie beschrijft de genestelde sociale en culturele contexten die de ontwikkeling vormen. Elk persoon ontwikkeld zich binnen een microsysteem, binnen een mesosystem en en daar weer binnen in een exosystem.

Deze zijn allemaal gevat binnen een macrosysteem.

Deze theorie heeft 2 lessen voor leraren:

1 invloeden vanuit sociale systemen zijn reciproque.

2 er zijn veel dynamische krachten die interacteren om een context te creëren voor de individuele ontwikkeling.
Blended families: ouders, kinderen en stiefkinderen samengenomen in een familie door te hertrouwen.
Baumrind gaf 4 soorten parenting styles: de manier van interactie met en het disciplineren van kinderen:


  1. Autoritarian parents: weinig warmte en veel controle. De kinderen moeten doen wat de ouders zeggen. Er wordt weinig gesproken over emoties. Straf is strikt maar er wordt geen misbruik van gemaakt. Ouders houden van kinderen maar zijn niet openlijk affectief.

Deze kinderen voelen meer schuld en zijn vaker gedeprimeerd.

  1. Autoritative parents: veel warmte en veel controle. Duidelijke grenzen en groot verwacht gedrag. Ze luisteren naar bezorgdheden en leggen dingen uit. Minder strikt gestraft en meer begeleiding. Ouders helpen kinderen denken.

Deze kinderen zijn gelukkig naar zichzelf en anderen.

  1. Permissive parents: veel warmte en weinig controle. Ouders zijn warm en zorgzaam maar met weinig regels en ze verwachten weinig wat betreft gedrag.

Deze kinderen hebben meer moeite met de interactie met peers.

  1. Rejecting/neglecting parents: weinig warmte en weinig controle. Het lijkt alsof ze het niks uitmaakt en geven niks om controle, communicatie en zorg voor de kinderen.

Bij scheiding zijn de eerste twee jaar voor jongens en meisjes het moeilijkst. Zonen van gescheiden ouders hebben een hogere score in gedragsmatige en interpersoonlijke problemen thuis en op school. Meisjes hebben moeite met mannen, ze worden meer seksueel actief en hebben moeite mannen te vertrouwen.


Er zijn verschillende vormen van agressie. De meest voorkomende is instrumental aggression: sterke acties gericht op het claimen van een object, plaats of privilege, niet bedoeld om iemand zeer te doen, maar daar kan het wel toe leiden. De tweede is hostile aggression: brutale, directe actie die bedoeld is om iemand iets aan te doen, dus ongeprovoceerd gedrag. Hieronder kan ook overt aggression vallen: dit is een fysieke aanval. Ook valt hieronder: relational aggression: verbale aanvallen en andere acties erop gericht om een sociale relatie kwaad te doen.
Je kunt voorkomen dat kinderen eenzaam worden. Hierbij spelen leraren een belangrijke rol. Er zijn voor hen een aantal mogelijkheden:

  • Zorg voor social skill training voor iedere student.

  • Creer interactiemogelijkheden door samenwerkingsopdrachten.

  • Richt je bij eenzame studenten op de talenten en sterke punten.

  • Creeer een geaccepteerde klas-gemeenschap.

  • Geef les in adaptieve coping strategieën.

  • Vergroot het self-esteem door verantwoordelijkheid te geven in de klas.


Zelf-concept: Begrijpen van onszelf
Self-concept: De kennis en overtuigingen van individuen over zichzelf,hun eigen ideeen, gevoelens, attituden en verwachtingen.

Self-esteem: de waarde die we onszelf geven over onze eigen karakteristieken, mogelijkheden en grdragingen. Het is dus een affectieve reactie. Dit wordt soms gezien als evaluerende deel van het self-concept.
Diversity and identity
Vertrouwen en prestatie zijn reciproque gerelateerd. Ze hebben allebei invloed op elkaar. Voor de meeste groepen geld dat mannen meer vertouwen hebben in wiskunde en wetenschap. Verschillen tussen mannen en vrouwen zijn klein maar wel consistent over verschillende studies.
Als etnische minderheid jeugd kunnen er 4 dingen gebeuren in de zoektocht naar identiteit: 1) assimilatie (volledig overnemen van waarden en gedrag van meerderheid). 2) separated ( alleen maar omgaan met mensen van je eigen etniciteit). 3) marginality (leven in een meerderheid maar je daar onprettig voelen en deels jezelf blijven). 4) biculturalisme (ookwel integration genoemd, in beide culturen blijven).
Emotional and Moral Development
Bij twee a drie jaar oud beginnen kinderen de theory of mind te ontwikkelen: het begrip dat andere mensen ook mensen zijn met hun eigen gedachten, geheugen, gevoel, geloof, verlangens en percepties. Een uitleg aan autisme is dat ze deze theorie missen.

Perspective-taking ability: het begrip dat anderen andere gevoelens en ervaringen hebben. Dit ontwikkeld zich als de kinderen de theory of mind ontwikkelen.
Terwijl ze de theory of mind ontwikkelen, ontwikkelen ze ook de moral reasoning: het denkproces wat betrokken is bij beoordelen over goed/fout vraagstukken. Een van de eerste zaken is de distributive justice: gedachten over hoe het verdelen van materialen of privileges op een eerlijke manier gaat binnen leden van een groep. Dit volgt de delen: equality (eerlijke verdeling), merit (kinderen die harder werken verdienen ook meer, hier komen kinderen naarmate de ontwikkeling volgt achter) en benevolence (dit ontwikkeld zo rond een jaar of 8, kinderen hebben dan door dat kinderen soms meer krijgen omdat ze extra behoeften hebben).
Moral realism: fases in ontwikkeling waren kinderen regels als absoluut zien. Als kinderen interacteren met anderen krijgen ze een morality of cooperation: fases in ontwikkeling waarin kinderen zich realiseren dat mensen regels maken en dat die ook te veranderen zijn.
Kohlberg introduceerde de moral dilemmas: situaties waarin keuzes niet duidelijk zijn en ook niet o9nvoorwaardelijk goed.

Hij verdeelde morele ontwikkeling in 3 levels:



  1. preconventional: wanneer een besluit alleen gemaakt wordt voor eigen behoeften en percepties.

  2. Conventional: wanneer de verwachtingen van een gemeenschap en het recht in acht worden genomen.

  3. Postconventional: wanneer een beoordeling gebaseerd is op een abstract, meer persoonlijk principe van recht die niet noodzakelijk in de gemeenschapswetten staan.

Een van de sterkste tegengeluiden is dat deze faes uit de westerse mannenwereld komt die individualistisch is.

Social conventions: goedgekeurde regels en manieren om dingen te doen in een bepaalde situatie.

Internalise: gedrag waarbij kinderen externe standaarden overnemen als zijnde hun eigen.

Hoofdstuk 4, Learner differences and Learning needs
Individual differences in Intelligence
Als mensen een disability hebben, bijvoorbeeld dyslexie, dan is het belangrijk om de person-first language te hebben, dus: de jongen met dyslexie en niet de dyslexier.

Disorder: een brede term waarmee bedoeld wordt de disbalans in fysiek en mentaal functioneren.

Disability: de onmogelijkheid om iets specifieks te doen zoals lopen of horen.

Handicap: een nadeel in een bepaalde situatie, soms veroorzaakt door een disability.
Het is geen discussie dat mensen varieren in intelligence: de mogelijkheid of mogelijkheden om kennis op te doen en te gebruiken om problemen op te lossen en het aan te passen voor de wereld.

Er zijn vroege theorieën over de natuur van intelligentie, het gaat hierover:



Spearman was de eerste die wetenschappelijk onderzoek deed naar intelligentie. Hij zei dat er 1 mentale atribuut is: de G. (general intelligence). Ook de kijk van Cattell-Horn is blijven bestaan: Fluid intelligence: mentale efficiëntie, non-verbale mogelijkheden die de grondslag geven voor hersenontwikkeling. Deze groeit tot de adolescentie. Deze vorm is gevoelig voor ongelukken. In tegenstelling tot crystallised intelligence: de mogelijkheid om cultureel beproefde probleem oplossingsmethoden toe te passen. Deze vorm groeit het hele leven.
Tegenwoordig is intelligentie net zoals het self-concept een vorm met vele facetten en met een hiërarchie. (Figuur 4.1, blz 134).
Gardner’s theory of multiple intelligences: hierin hebben pesonen 8 gescheiden mogelijkheden:

  • Logical-mathematical

  • Linguistic

  • Musical

  • Spatial

  • Bodily-linestetic

  • Interpersonal (anderen begrijpen)

  • Intrapersonal (jezelf begrijpen)

  • Naturalist (observeren en begrijpen van natuurlijke en menselijk gemaakte systemen)

Bewijs hiervoor kreeg hij door mensen met hersenschade. Volgens hem heeft intelligentie een biologische basis. Kritiek is dat het hier gaat om talenten en persoonlijkheidseigenschappen.
Emotional Intelligence (EQ): de mogelijkheid om emotionele informatie accuraat en efficiënt te processen. Je hebt 4 mogelijkheden hiermee:

  1. perceiving (gewaarworden, waarnemen)

  2. integrating (integreren)

  3. understanding (begrip)

  4. managing emotions (emoties managen)

Sternberg’s Triarchic theory of successful intelligence: een driedelige beschrijving van de mentale mogelijkheden (denk processen, coping met nieuwe ervaringen, adapteren naar een context) die leiden naar een meer of minder intelligent gedrag.



Successfun intelligence is volgens hem: de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor succes in het leven volgens zijn/haar eigen definitie van succes en in diens eigens socoiculturele context. Drie delen:

  • analytische kanten (mentaal proces wat leidt tot meer of minder creatief gedrag, dit bestaat uit een aantal componenten)

  • creatieve kanten (omgaan met nieuwe ervaringen. Intelligent gedrag heeft 2 kenmerken: 1) insight: de mogelijkheid om effectief om te gaan met nieuwe situaties, en 2) automaticaly: het leren een bepaald gedrag zo uit te voeren of om op zo’n manier te denken dat het uitgevoerde automatisch gaat en het geen inspanning kost)

  • praktische kanten (her kiezen om in een situatie te gaan werken/leven waarin succes behaald kan worden.

Praktische intelligentie is vooral gebaseerd op tacit knowledge: kennis die je leert door het leven heen, gewoon door te leven, in plaats van scholing.


Binet’s testen zorgde ervoor dat de mentale leeftijd onderzocht kon worden: een intelligentietest waarbij je een score hebt tegenover het gemiddelde van mogelijkheden van leeftijdsgenoten.

Intelligence quotient (IQ): een score voor het vergelijken van mentale en chronologische leeftijd.

Deviation IQ: score gebaseerd op een statistische vergelijking van de performance van een persoon met de gemiddelde performance van anderen van die leeftijd.
Flynn effect: door een betere gezondheid, kleinere families, verhoogde omgevingscomplexiteit en meer en betere scholing stijgen de IQ scores langzaam maar zeker.
Ability differences and teachong
Streaming or between-class ability grouping: wanneer de klassen worden gevormd gebaseerd op de mogelijkheden die ze hebben.

Within-class ability grouping: systeem van groepen maken waarin binnen een klas 2 of 3 subgoepjes zijn gebaseerd op de mogelijkheden en dus de individuele verschillen.
Learning styles and preferences
Learning styles: de karakteristieke benaderingen voor leren en studeren. Grofweg in 2 delen:

  • deep-processing approach: een manier van loeren waarbij je de achterliggende concepten en betekenissen probeert te begrijpen.

  • Surface processing approach: zorgen dat ze het te leren materiaal in het geheugen krijgen, ze hoeven het niet te begrijpen.

Learning preferences: geprefereerde manier van studeren en leren, zoals het gebruik van foto’s ipv tekst, alleen werken ipv samen, leren in gestructureerde omgeving of andersom ed. preferences is een meer accuraat label dan style en is dus iets anders.
Indeling volgens Mayer:
Cognitive ability

  • High spatial ability: goede mogelijkheden om te creeren, onthouden en plaatjes te manipuleren en voor spatiele informatie.

  • Low spatial ability: weinig mogelijkheden voor deze bovenstaande mogelijkheden.

Cognitive style

  • Visualiser: denken gaat via visuele plaatjes en visuele informatie.

  • Verbaliser: denkt door gebruik van woorden en verbale informatie.

Learning preference

  • Visual learner: heeft het liefste instructie door middel van plaatjes

  • Verbal learner: heeft het liefst instructie door middel van woorden


Inclusion
Inclusion: her integreren van alle leerlingen, inclusief degenen met mindere mogelijkheden, in gewone klassen. In de Code of Practice staat dat kinderen met mindere mogelijkheden gewone educatie moeten krijgen met misschien wat extra aandacht.
Ieder kind die in het register staat van School Action (school moet familie inlichten en actie ondernemen omdat het kind een lage SEN heeft) krijgt een individual education plan (IEP):dit wordt gemaakt/gevolgd door het curriculum heen door een leerling met leermoeilijkheden en disabilities en geeft een strategie er die ingaat op de individuele behoeften van de leerling.
The most common challenges
Learning difficulty/disability: problemen met het opdoen en gebruik van taal, ook kan dat moeizaam lezen, schrijven, redeneren en wiskunde zijn.

Learned helplessness: de verwachting, gebaseerd op eerdere ervaringen van te weinig controle, dat alle wil van een persoon leidt tot falen. Dit is een krachtig geloof die sommige kinderen kunnen hebben.

Op blz 156 staat een schema van hoe je werkt met kinderen met een leerprobleem.


ADHD: een term voor een ontwrichtende gedragsstoornis gekenmerkt door overactiviteit, ongelofelijk veel moeilijkheid om de aandacht vast te houden of impulsiviteit. Jongens lijden hier meer aan dan meisjes. Onderzoek laat eigenlijk zien dat de oorzaak biologisch is: een onbalans van chemicaliën. Genen zijn sterk betrokken.

Dyslexia: een leermoeilijkheid waarbij het gaat om taal. 2 tot 15% van de mensen heeft het. Hier zijn hersengebieden bij betrokken. Wat kan helpen is kinderen individuele geluiden te laten identificeren. Voor werken met dyslexie kijk op blz 160.

Dyscalculia: de conditie waarin er moeilijkheden zijn met arithmetical vaardigheden. Werken hiermee op blz 162.


Intellectual disabilities: het significant onder het gemiddelde zijn van intellectueel en adaptief sociaal gedrag, dit moet voor de 18e optreden. Het is een alternatieve naam voor learning difficulty/disability. Meestal wordt 70 op een IQ score genomen als grens van leermoeilijkheden of intellectual disabilitie.

Emotional and behavioural disorders: gedrag en emoties die zo erg van de norm afwijken dat ze het groeien en ontwikkelen van het kind in de weg staan of het leven samen met anderen in de weg staan: ongepast gedrag, ongelukkig zijn of depressie, angst of boosheid en problemen met een relatie.
Vaak gebruiken mensen met een emotie of gedragsstoornis drugs, maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. Ook ‘gezonde’ mensen gebruiken drugs.
Less prevalent problems and more severe disabilities
Cerebral palsy: aandoening waarbij een range van motor of coördinatie problemen zich voordoen met als oorzaak hersenschade. Dit wordt gekarakteriseerd door spacticity: buitengewoon gespannen of gevoelige spieren. Vaak hebben ze ook nog secundaire problemen. Hier kunnen leraren wel mee helpen, zoals spraakproblemen, visuele handicap of een minder IQ.
Een seizure is een combinatie van gedrag in respons op abnormale neurochemische activiteit in de hersenen.

Epilepsy: aandoening welke gekenmerkt is door seizure en veroorzaakt door abnormale elektrische ladingen in de hersenen. Niet alle seizures worden veroorzaakt door epilepsie, hoge koorts of infectie zou ook kunnen.

Absence seizure: (ook wel partial seizure) een seizure van een klein deel van de hersenen, een kind raakt hierdoor slechts kort het contact kwijt. Terwijl generalised or tonic-clonic seizure: een seizure van een groot deel van de hersenen. Vaak zijn het oncontroleerbare bewegingen die twee tot vijf minuten duren. Na ‘ontwaken’ is de persoon vaak verwart en moe.
Blinde mensen zijn her grootste percentage van de mensen met een handicap op school.
Vijf op de 1000 kinderen hebben een ernstige leerstoornis. En veel van deze kinderen hebben autisme of ASD (autistic spectrum disorder).

Autism spectrum disorders: ontwikkelingsstoornis die significant de verbale en non-verbale communicatie en sociale interactie stoort, vaak uitkomend voor een leeftijd van 3 jaar en heeft een mogelijkheid van mild tot erg. Ze hebben moeite met connecties met anderen, hebben vaak geen oogcontact en geven geen uiting aan gevoelens. Verandering in omgeving is erg moeilijk voor ze.

Asperger syndrome: heeft veel van de karakteristieken van autisme, maar de grootste problemen liggen op het gebied van de sociale relaties. Dit valt binnen het autistisch spectrum. Mensen met autisme scoren vaak onder het gemiddelde van IQ, maar kinderen met asperger hebben vaak een gemiddelde of een bovengemiddelde IQ.

Vroege interventies gericht op communicatie en sociale vaardigheden zijn belangrijk.


Een verklaring voor deze aandoeningen kan zijn dat ze geen theory of mind hebben: het besef dat zij en andere mensen een gedachte, geloof en emoties hebben.

Learners who are gefted and talented
Gifted and talented learners: een erg slimme, creatieve en getalenteerde student (pupil).

het is zowel een kwestie van gedrag/nurture en talent en genen/nature.


Mensen met uitzonderlijk talent, mn meisjes-adolescenten hebben vaker last van depressie en andere sociale en emotionele problemen dan gemiddeld.

Leraren zijn maar in 10 tot 50% van de gevallen succesvol in het identificeren van getalenteerde kinderen.



Hoofdstuk 5, Culture and Diversity
Today’s diverse classrooms
Mensen die in de 20e eeuw naar het westen kwamen warden verwacht te assimileren. Het werd een melting pot: een metafoor voor de absorptie en assimilatie van immigranten in de meerderheid van de gemeenschap zodat etnische verschillen verdwijnen.

Aan de andere kant staat integratie waarin zowel de meerderheid als de etnische minderheid meer op elkaar proberen te lijken. Multiculturalisatie is het proces waarin de integratie verschillend werkt voor verschillende groepen.



Cultural deficit model: een model die een verklaring geeft voor prestatieproblemen voor etnische minderheden door ervan uit te gaan dat hun cultuur inadequaat is en ze niet klaar maakt voor succes op school.
Multicultural education: scholing die gelijkheid promoot voor alle pupillen. Er is echter geen ‘beste’ aanpak.

Banks zei dat multicultureel onderwijs 5 dimensies heeft:



  1. content integration: gebruik voorbeelden uit alle verschillende culturen.

  2. the knowledge Construction process: het begrip helpen te krijgen dat culturele aannamen de kennis bepaald.

  3. An equity pedagogy: lesstijlen aanpassen op leerstijlen.

  4. Prejudice reduction: de karakteristieken van de leerlingen’s raciale attituden leren kennen.

  5. An empowering school culture and social structure: hou alles in de gaten en zorg voor een goede school.

Multiculti scholing verwerpt het idee van een melting pot.

Culture: de kennis, waarden, attituden en tradities die het gedrag van een persoon of een groep leiden en ze in staat stelt problemen in het leefomgeving op te lossen.
Economic and social class differences
Sociologen en psychologen combineren rijkdom, macht ed in een index die socioecomomic status (SES) heet: de relatieve stand binnen een gemeenschap gebaseerd op inkomen, macht, achtergrond en prestige.

Mensen zijn zich wel bewust van hun sociale klasse maar vaak niet van hun SES. Er zijn 4 graden van SES:



  1. upper class

  2. middle class

  3. working class

  4. lower class

kinderen die opgroeien in arme buurten hebben viezere lucht, viezer water en het is waarschijnlijk dat zij ook veel meer lood in de omgeving hebben. Je krijgt stress en van stress komt geweld en dat heeft een erg groot effect op fysiek en mentaal opgroeien.

Arme kinderen worden vaak geen vragen gesteld tijdens de lessen om ze niet voor gek te zetten en daardoor gaan de kinderen denken dat ze niet goed zijn in schoolwerk. Dus lage verwachtingen zorgen voor een laag zelfbeeld.



Resistance culture: groepswaarden en geloven die weigeren het gedrag en de attituden van de meerderheid over te nemen. Dit kan ook een reden zijn van lagere ontwikkeling bij lage SES.

Een andere is streaming: het groeperen naar mogelijkheden voor het schoolrooster en daardoor bloot stellen aan andere academische ervaringen. Dit is iets anders dan setting: groeperen naar mogelijkheden op een bepaald onderdeel (bijvoorbeeld een vak).

Het helpt om arme kinderen preschooltraining te geven. Hierdoor komen ze beter mee.
Ethnic and racial differences
Ethnicity: een cultuurgoed (heritage) die gedeeld wordt met een groep mensen. Race: een groep mensen die een biologisch kenmerk deelt die wordt gezien als self-defining door mensen van die groep. Sociologen gebruiken soms de term minority Group: een groep mensen die en sociaal nadeel hebben (niet altijd een minority in aantallen).
Cultuurconflicten gaan vaak over kleine verschillen die onder de oppervlakte liggen.
Prejudice is dicht gerelateerd tot prejudge. Prejudice: irrationeel generaliseren van een hele categorie mensen. Dit komt door geloof, emoties en gevoeligheden voor bepaalde acties. Er zijn twee geloven: dat kinderen ‘kleurenblind’ zijn in het beoordelen van mensen en dat kinderen niet gebiased zijn in het vooroordelen van mensen en dat ze dat geleerd hebben van ouders. Dit is niet bewezen. Bij 5 jaar kunnen kinderen al racistische opmerkingen maken.

Prejudice is niet alleen een vorm van ingroup, self-justification of een emotionele reactie, maar het is ook een culturele waarde.



Stereotype: een schema die de kennis of percepties organiseert over een bepaalde categorie. Zo maak je ook als kind een schema over bijvoorbeeld buitenlanders. En die schema’s gebruiken we om betekenis te geven aan de wereld.

Discrimination: het behandelen of oneerlijk/ongelijke behandelen van een bepaalde categorie mensen.
Stereotype threat: het risico van het bevestigen van een negatief stereotype verwachting van een bepaalde groep.
Mocht het leren niet goed gaan dan hebben studenten een zelfverdedigingsmechanisme. Ze zeggen dat het ze niet interesseert, wiskunde is voor nerds ed. dit heet: disidentify. Mn zwarte mannelijke studenten hebben dit.
Girls and boys: differences in the classroom
Sexual identity: een complexe combinative van het geloof over en orientatie op geslachtsrollen en seksuele orientatie. Het gaat dus over: geslachtidentiteit (de zelfidentificatie van een persoon als man of vrouw), geslachtsrol gedrag (is dat gedrag die de cultuur vind passen bij het geslacht) en seksuele orientatie (de keus van de persoon voor een sekspartner).

De overgang naar homoseksualiteit is meestal: feeling different, feeling confused and acceptance.

Maar kritiek hierop is dat de fases niet zo vast liggen en dat oriëntatie in het leven kan wisselen.

Gender-role identity: geloof over karakteristieken en gedragingen wat geassocieerd is met een bepaalde sekse zoals gedacht door de ander. Het is een deel van het self-concept.

Door interactie met peers, familie en leraren ontwikkelen kinderen gender schemas: georganiseerde netwerken over wat het betekend om jongen of meisje te zijn. Zo heb je ook een gender schema theory:


Geloof van mensen in gender schema invloed van processing van sociale info

Behandeling man/vrouw zoals attentie, geheugen ed.


Of
Invloed van self-esteem
Gender biases: andere kijk om meisjes en jongens, vaak het ene geslacht favoriet boven het andere.

Dit wordt vaak gevoed door scholen. Leermiddelen moeten gecheckt worden op stereotypen.


In de eerste jaren van het leven zijn er in mentale mogelijkheden weinig verschillen te vinden tussen jongens en meisjes. Maar bij 8-9 jarigen lezen meisjes beter dan jongens.
Language differences in the classroom
Dialect: rechts-geregelde variatie op een taal die gesproken wordt door een bepaalde groep. Dit is een onderdeel van een collectieve identiteit van een groep.

Disidentification: recognition of a subpersona of self-image, which may of may not be used according to social context.

Homonyms: als de uitspraak anders is zoals bij dialecten kunnen woorden wel hetzelfde klinken maar hebben ze een andere betekenis. Code-switching: het succesvol omwisselen/switching tussen culturen in taal, dialect of non-verbaal gedrag om binnen een situatie te passen.

Bilingualism: twee talen vloeiend spreken. Maar het is meer, het gaat niet alleen om taal maar ook om de hele culturele achtergrond. Hier zijn 3 termen mee geassocieerd:

  1. English language learners (ELL): leerlingen waarvan de primaire taal niet Engels is.

  2. Emglish as a second language (ESL): graad voor programma’s en klassen om Engels te leren aan studenten die niet van nature Engels spreken.

  3. English as a additional language (EAL): graad voor programma’s en klassen om Engels te leren aan mensen die het niet spreken van nature en ook nog andere talen kunnen spreken.

Semilingual: niet erg bekwaam in elke taal, spreekt 1 of meer talen inadequaat.
Creating culturally responsive schools
Culturally responsive schools: scholen die ervoor zorgen dat de culturele diversiteit gelijk verdeeld is en toegankelijk is in het leraar-leerling proces. Ze willen racisme, seksisme en klassisme elimineren.

Culturally relevant pedagogy: perfect lesgeven voorleerlingen van ethnische minderheden met academisch succes, ontwikkeling, cultuur behouden en een nieuwschierige status quo creeren.

Leerlingen moeten:



  • academisch succes ervaren

  • ontwikkelen van en behouden van de culturele competence

  • ontwikkelen van een kritische nieuwschierigheid


Resilience: de mogelijkheid nemen/hebben om je succesvol te ontwikkelen ondanks de moeilijke omstandigheden en gevaren. ze moeten:

  • stabiele en continue zorg krijgen

  • snel leren lezen

  • aanmoediging krijgen van ouders

  • vrienden hebben die het goed doen op school


Diversity in learning
Vier waarden van blz 228:

  • familie loyaliteit

  • religieuze verplichtingen (obligation)

  • verwachting van gemeenschap

  • culturele tradities

Sociolinguistics: de studie naar de formele en informele regels van het hoe, wat, wanneer, tegen wie en hoe lang te spreken te spreken in conversaties binnen culturele groepen.

Pragmatics: de regels van het hoe en waneer taal te gebruiken om een effectieve communicator te zijn in een bepaalde cultuur.



Dostları ilə paylaş:
  1   2   3


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©muhaz.org 2017
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə