Onderwijspsychologie, Woolfolk Hoofdstuk 1, Teachers, Teaching and Educational Psychologie Educational psychology



Yüklə 178.66 Kb.
səhifə3/3
tarix13.11.2017
ölçüsü178.66 Kb.
1   2   3
participation structures: regels die vertellen hoe men zich moet participeren in verschillende activiteiten, dus de regels van: wanneer je mag praten, tegen wie, wanneer en voor hoe lang. Leerdingen moeten deze structuur begrijpen. De sleutel is dat kinderen moeten weten wat de regels zijn en wat er van ze verwacht wordt.

Een derde diel van het managementsysteem is dat kinderen hunzelf beter moeten managen. Self-management: management van je eigen gedrag en het accepteren van verantwoordelijkheid voor de eigen acties. Dit kost tijd.
Creating a positive learning environment
De affective teaching manier moedigt leerlingen aan en zorgt voor nog meer positieve effecten. Procedures: voorgeschreven stappen voor een activiteit. Deze heten ook vaak routines.

Rules: statements die de verwachtingen en verboden gedragingen specificeren. Kortom: de do’s en dont’ts. In tegenstelling tot procedures worden regels vaak wel opgeschreven. Regels moeten positief en observeerbaar zijn. Om er een paar op te schrijven (5 of 6) is beter dan een hele lijst van alles.

Natural or logical consequences: in plaats van straf laat je het de leerlingen nog een keer doen, laat ze het repareren of laat de leerlingen de consequenties ondergaan die volgt op hun actie.
Een aantal dingen zijn daar belangrijk voor:


  • Het probleem is het gedrag, niet de leerling

  • Laat de leerling weten dat hij/zij de keus heeft om hun acties te kiezen

  • Moedig zelf-evaluatie aan

  • Help leerlingen de keuzes te verwoorden van wat ze volgende keer kunnen doen.

Rogers kwam met een code van the 4 Rs: een goedgekeurde (agreed) code van:



  • Rights

  • Responsibilities

  • Rules

  • Routines

Voordat je deze als leraar opstelt moet je misschien even wachten tot er een vorm van community is in de groep.

Tafels op een rij is goed voor het individueel werken, het samenwerken met z’n tweeën. Voordeel van tafels in een ronde is de groepsinteractie.


Wat belangrijk is zijn de eerste paar weken van een schooljaar. Bij een effectieve leraar ziet dat er als volgt uit (deze voorbeelden gaan uit van een basisschool)

  • Eerste dag goed georganiseerd

  • Er lagen naambordjes klaar

  • Elke leerling had meteen iets interessants te doen

  • Materialen lagen klaar

  • Alles was goed gepland

  • Duidelijkheid geven over de verwachtingen

  • De paar regels werden meteen verteld

Een ineffectieve manier zou alles omgekeerd hebben.

Bij een middelbareschool ziet het er ongeveer ook zo uit. De eerste dat worden de regels, procedures en de verwachtingen duidelijk en dit wordt duidelijk aangehouden de eerste paar weken.


Maintaining a good environment for learning
Het is bewezen dat een goede start als leraar erg helpt, maar het is slechts een begin.

Withitness: volgens Kounin is dit het bewust zijn van alles wat er in een klas gebeurt. Dit communiceer je ook naar de leerlingen toe. Ze scannen altijd de hele klas en maken oogcontact met individuen. Ze maken geen timing-errors: te lang wachten om in te grijpen. Ook maken ze geen target-errors: de verkeerde de schuld geven.

Overlapping: supervisie houden over verschillende activiteiten tegelijkertijd

Group focus: de mogelijkheid om zo veel mogelijk leerlingen tegelijkertijd betrokken te houden bij de activiteit.

Movement management: de les en de groep gemotiveerd houden in een goede en flexibele snelheid, met kleine veranderingen en variatie. Slowdown: te veel tijd nemen om een nieuwe activiteit te starten.

Om positief gedrag op school aan te moedigen moeten leraren:



  • Het eens zijn over de aanpak van positief gedrag en het corrigeren van problemen.

  • Ontwikkelen van enkele positief geformuleerde specifieke gedragsverwachtingen en de procedures om dit de leerlingen te leren.

  • Het integreren van ‘the behavioural support plan procedures’ binnen de school.

Precorrection: een vorm van preventieve strategie. Een manier om serieuze gedragsproblemen te voorkomen van leerlingen die worden gezien als risico door de leerlingen te leiden naar meer goede gedragingen.
The need for communication
Het eerste principe van communicatie is dat mensen reageren op wat zij denken dat het bedoeld of gezegd wordt en niet alleen op de woorden die er gesproken worden. Een manier om te controleren of het bericht juist opgevat is is de paraphrase rule: een aanpak waarbij de luisteraars een accurate samenvatting moeten geven van wat de spreker gezegd heeft voordat de luisteraar pas reageert.
Gordon vind dat een goede leraar-leerling verhouding komt wanneer:

  • Waarom wordt de leraar geïrriteerd door een bepaald gedrag?

  • Wie is het probleem?

Empathetic listening¨de bedoeling en de emotie horen achter hetgeen gezegd wordt en dit terug parafraseren.

Sokolove heeft 4 componenten van actief luisteren:



  • Alle externe stimuli blokkeren.

  • Aandachtig luisteren naar zowel verbale als non-verbale berichten.

  • Scheiding maken tussen de intellectuele en emotionele componenten van het bericht.

  • Interfereren van de gevoelens van de spreker.

I’ message: een helder, niet-beschuldigende stelling van hoe iets invloed op jou heeft.


Assertive discipline: duidelijk, niet echt vriendelijke responsstijl.


Hoofdstuk 13, Teaching for learning
The First step: planning
Planning beïnvloed wat leerlingen zullen leren. Hierbij is tijd essentieel. Een planning maken voor het volgende schooljaar is ook erg belangrijk. Plannen worden in termijnen onderverdeeld en termijnen in units. Ten derde helpen plannen bij het redden van onzekerheid maar het haalt ze niet helemaal weg. Er is dus wel wat flexibiliteit nodig.

Een samenwerkingsbenadering voor plannen in Japan heet Kenshu: mastery through study: er wordt met een kleine groep leraren een planning gemaakt. De eerste les wordt opgenomen en dan met de hele groep teruggekeken.



Lesson study: leraren ontwikkelen, testen en verbeteren als een groep lessen tot ze tevreden zijn met de laatste en goede versie van die les.

Maakt niet uit hoe leraren plannen, ze moeten altijd de learning objectives in gedachten houden: duidelijke statements over wat de leerlingen moeten leren.


Robert Mager kwam met behavioural objectives: leer objectives die genoemd zijn in termen van observeerbaar gedrag. Een goede objective bestaat uit 3 delen:

  • Hoe de leerling zich zou moeten gedragen/wat moet de leerling doen?

  • Het bevat een lijst van de condities waaronder het gedrag moet plaatsvinden/ hoe wordt dit gedrag herkent en getest?

  • Het geeft de criteria voor goed gedrag.

Norman Gronlund kwam met een andere benadering: cognitive objectives: leer objectives die genoemd zijn in termen van hoger-level denken.



  • Eerst moet een objective geformuleerd worden in algemene termen zoals begrijpen, oplossen ed.

  • Dan komt er een lijst met voorbeeldgedragingen.


Taxonomy: dit is een classificatiesysteem van educatieve objectives. Een soort handboek. 6 basisobjectives zijn verschenen in Bloom’s taxonomie van het denken, ofwel: cognitive domain (geheugen en redeneer-objectives).

  • Kennis (later aangepast tot onthouden)

  • Besef (later aangepast door understanding (begrip))

  • Toepassen

  • Analyseren

  • Synthesis (later aangepast door creeren)

  • Evaluatie

Zo heb je ook objectives in de taxonomie van het affecting domain: objectives die focussen op attituden en gevoelens:



  • Ontvangen

  • Responding (reageren)

  • Valuing

  • Organisatie en karakterisatie

Psychomotor domain: objectives die gaan over de fysieke mogelijkheid en coördinatie.
Planning wordt traditioneel alleen gedaan door de leraar. In de constructivist benaderingen wordt plannen gedeeld en er wordt over onderhandeld. Leraar en leerling maken samen de beslissingen.
Teaching
Leraren die veel feiten kennen hebben geen leerlingen die meer leren (met wiskunde als uitzondering). Leraren die een duidelijke presentatie en uitleg geven hebben wel leerlingen die meer leren. Warmte, vriendelijkheid en begrip correleren het meeste met de attitudes van leerlingen.
In de jaren 80 en 90 is er veel onderzoek gedaan naar lesgeven. Hieruit rolde de whole-class teaching: lesgeven dat wordt gekarakteriseerd door een hoog level van uitleg, demonstratie en interactie door de leraar tegenover alle leerlingen tegelijkertijd. Het is daarom een goede manier voor de basic skills: duidelijk gestructureerde kennis die nodig is voor het vervolg van het leren en dat stap voor stap verteld kan worden.
Whole-class teaching heeft ook nadelen: de aandacht kan verslappen en je krijgt soms een passieve positie van de leerling. Scripted cooperation: een leerstrategie waarin twee leerlingen om de beurt een samenvatting geven en kritiek hebben op die samenvatting. Dit wordt een aantal keren per college gedaan.

Kritiek is ook dat het uitgaat van de wrong theory, het wordt is segmenten aangeleverd. De leerling is een lege bak die gevuld kan worden.


Individual classwork: onafhankelijk klaswerk die af moet zijn binnen de les. Om voordeel te hebben van individual classwork, of huiswerk, moet de leerling betrokken blijven en het werk doen. Dit moet wel goed in de gaten gehouden worden en er moet hulp komen wanneer dat nodig is.
Over het algemeen gaat het in alle klassen: leraar stelt vraag, student geeft antwoord, dit heet recitation. Het bestaat uit 3 fasen:

  • Initiation (vraag leraar, vaak gesloten)

  • Respons (vaak kort)

  • Follow-up (leraar geeft wat feedback)

Dit heet de IRF structuur.
Een manier om klasvragen te categoriseren is in termen van convergent question: alleen 1 juist antwoord. Of divergent question: veel antwoorden mogelijk.

Als leerlingen antwoord geven werkt het vaak het beste voor de kwaliteit van de antwoorden om de studenten een paar seconden wait time te geven.



Targeting: de manier waarop de leraar een leerling selecteert om antwoord te geven en het matchen van de vraag bij de leerling.

Als het antwoord snel en correct is: accepteer en ga verder.

Als het antwoord aarzelend is en correct, geef feedback waarom het antwoord goed is.

Als het antwoord eerlijk maar verkeert is, geef hints of vereenvoudig de vraag.

Als de vragen dom zijn, corrigeer en ga verder.

Group discussion: conversatie waarbinnen de leraar geen prominente rol heeft. Leerlingen stellen en beantwoorden hun eigen vragen. Deze lijken een beetje op recitation maar moet meer instructureel gaan.
Rosenthal en Jacobson kwamen met het pygmalion effect, een vorm van self-fulfilling prophercy, exceptionele progressie bij een bepaalde leerling als een resultaat van hoge verwachtingen van de leraar. Self-fulfilling prophecy: een verwachting (soms ongegrond) dat bevestigd wordt omdat het verwacht wordt.

Sustaining expectation effect: de prestatie van de leerling blijft op hetzelfde niveau omdat de leraar de vooruitgang niet herkent.
Pupil-centred teaching
Pupil-centred teaching: zet de leerbehoeften van de leerling in het centrum.

Hoofdstuk 14, Standarised testing
Measurement and Assessment
Measurement: een evaluatie die uitgedrukt wordt in kwantitatieve (statistische) termen. Deze spelen een grote rol bij het maken van beslissingen in de klas. Assessment: procedures die gebruikt worden om informatie te verkrijgen over de prestaties van de leerling. Dit is breder dan testen en meten. Het gaat hier om alle manieren waarop kennis over de leerling verkregen wordt.
Scores moeten vergeleken worden om er betekenis aan te geven. Dit kan door twee manieren:


  • Norm-referenced comparison: testen waarbij de scores vergeleken worden met het gemiddelde van de anderen. Hierbij heb je te maken met een norm Group: een groep waarbij hun gemiddelde score gezien wordt als een standaard waarmee alle individuele scores vergeleken worden.
    Er zijn 3 soorten vergelijkingsgroepen:

    • Klas of school

    • Locale autoriteit

    • National samples

Deze wordt vooral gebruikt als het over de algemene prestatie van de leerling gaat. Ook wordt het gebruikt als er maar een paar succesvolle studenten zijn.

Er zijn ook beperkingen: het verteld niet of leerlingen verder kunnen naar een beter niveau.



  • Criterion-references comparison: hiermee worden de scores vergeleken met een gefixeerde standaard die past bij het hiërarchische framework van het curriculum. Deze meten de prestatie op een specifieke objective, zoals of iemand een rijbewijs krijgt of niet. De uitkomst moet aangeven wat de leerling wel kan en wat de leerling niet kan.


What do test scores mean
Standardised tests: een test, meestal landelijk gegeven, onder uniforme omstandigheden en waar gescored kan worden volgens uniforme procedures. Ze worden op een standaard manier geïnterpreteerd.

Norming sample: een grote sample van leerlingen die als vergelijkingsgroep geldt voor het scoren op gestandaardiseerde testen.

Frequency distribution: een lijst die laat zien hoeveel scores er in set groups vallen. Hierbij kun je de resultaten laten zien in een bar chart: grafiek vande frequency distribution waarbij gebruik wordt gemaakt van horizontale of verticale banen.

Mean: het aritmische gemiddelde. Het gemiddelde uitrekenen is een manier om de central tendency te meten: een typische of representatieve score voor een groep scores. Twee andere scores voor de central tendency is het uitrekenen van de median en de mode. Median: de middelste score in een groep scores. Mode: de meest voorkomende score.
Standard deviation: meting van hoe wijdt de scores varieren vanaf het gemiddelde. Variability: graden van verschil of de deviatie van het gemiddelde.

Range: afstand tussen de hoogste en de laagste scores binnen een groep. Normal distribution: de meest veelvoorkomende distribution waarin de scores gelijk verdeeld zijn rond het gemiddelde.

Percentile rank: het percentage van die scores binnen de norm die op of onder de individuele score scoort.

Level-equivalent score: het meten van het level die gebaseerd is op de vergelijking met de norming samples van elke leeftijdsgroep.

Standard scores: de scores die gebaseerd zijn op de standard deviation.
Z-score: standaard score die een indicatie geeft voor het aantal standaard deviaties boven of onder het gemiddelde.

T-score: eens standaard score met een gemiddelde van 50 en een standard-deviation van 10.

Stanine scores: hele nummer scores van 1 tot 9, elk representeerd een wijde range van ruwe scores.
Reliability: de consistentie van testresultaten waarbij gekeken wordt naar de vergelijkbaarheid van de scores op twee verschillende tijdstippen of van twee dezelfde versies.

Standard error of measurement: een hypothetische schatting van de variatie in de scores als de test herhaald wordt.

Confidence interval: range van scores waarbinnen het waarschijnlijk is waarbinnen het cijfer van het individu valt.

True score: de score die de leerling zou hebben als de meting helemaal accuraat is en error-vrij.

Validity: de mate waarin een test meer wat hij moet meten.
Assessment bias: kwaliteit van een assessment (meet) instrument die onterecht een groep leerlingen op basis van hun geslacht, SES, ras of etniciteit uitsluit. Er zijn een aantal problemen bij testen:

  • Procedural fairness: groepen kunnen niet dezelfde mogelijkheid krijgen om te laten zien wat ze weten.

  • Opportunities to learn: verschillende groepen hebben verschillende mogelijkheden om te leren.

Culture-fair or culture-free tests: een test zonder culturele bias.
Types of standardised tests
De meest voorkomende is de achievement test: dit zijn gestandaardiseerde testen die meten hoeveel leerlingen geleerd hebben op een bepaald gebied. Deze zijn er voor individuen en voor groepen. Ze varieren in betrouwbaarheid en validiteit. Groepstesten kunnen gebruikt worden voor een screening. Deze testen identificeren zwakte op een academisch gebied.

Diagnostic tests: individueel afgenomen tests om speciale leerproblemen op te sporen. Deze worden afgenomen door een professional. Deze worden meer op de basisschool gebruikt dan op de middelbare school.

Aptitude tests: tests die toekomstige prestaties voorspellen. Deze wordt meer gebruikt op de middelbare school. Een voorbeeld hiervan is de IQ test.
Issues in standardised testing
High-stakes testing: gestandaardiseerde tests waarvan de resultaten een krachtige invloed hebben wanneer ze gebruikt worden door school managers of anderen die beslissingen nemen.

Accountable: maken leraren en scholen verantwoordelijk voor het leren van leerlingen, meestal door het leren in de gaten te houden door high-stake tests.
New directions in assessment
Authentic assessment: meting van belangrijke kwaliteiten door gebruik te maken van procedures die de applicatie simuleren van situaties in het echte leven.

Constructed-response format: assessment procedures die de leerling een antwoord laten creeren in plaats van een antwoord te laten kiezen uit een set mogelijkheden.

Hoofdstuk 15, Classroom assessment
Formative and summative assessment
Leraren hebben vaak niet erg veel te zeggen over het beoordelingssysteem waarmee scholen werken. Wel kunnen ze beslissen wanneer, welke en hoe een test gemaakt wordt. Je hebt twee soorten assessments:

  • Formative assessment: onbecijferde (ungraded) testen die gebruikt worden voor of tijdens het lesgeven om te helpen bij het plannen en diagnosticeren. Het helpt het baseren bij lesgeven. Als een test voor het lesgeven wordt gegeven heet het een pretest: formatieve test om te testen op de kennis, geschiktheid en mogelijkheden van de leerling.
    Diagnostic test: formatieve test die gebruikt wordt tijdens het lesgeven om te kijken waar de zwakte ligt en wat de oorzaken daarvan zijn.

  • Summative assessmant: een test die volgt op het lesgeven en die test op achievement (dus wat bereikt is). Dit geeft een samenvatting van wat er al bereikt is. Een klassiek voorbeeld hiervan is het eindexamen.

Het verschil tussen de twee is hoe de resultaten gebruikt worden. Alle tests kunnen voor zowel formatieve als summatieve doeleinden gebruikt worden! Het hangt dus af van het doel!
Getting the most from traditional assessment
High-stakes testing: een krachtige test waarvan de resultaten worden gebruikt door schooladministratie, decanen of andere mensen die invloed hebben.

Volgens Dempster is het volgende belangrijk:



  • Vaak testen is effectiever en zorgt voor een betere retentie van informatie.

  • Testen zijn vaak effectief net nadat de leerlingen het geleerde geleerd hebben

  • Cumulatieve vragen is een sleutel in het effectief leren.


Objective testing: Multiple choice, matchen, waar/niet-waar, korte antwoorden en invultesten. Het scoren van de antwoorden heeft weinig interpretatie nodig. Multiple-choice wordt het meeste gebruikt. Ook zijn er geluiden van kritiek bij het gebruik van alleen maar multiple-choice. Deze lijken namelijk een voordeel te geven aan jongens die aan de onderkant van het kunnen zitten.

Een multiple-choice vraag moet je goed opstellen. Hier zijn aan aantal dingen van belang:



Stem van de multiple-choice vraag: het vragend deel van de miltiple-choice item of dat deel wat het probleem aangeeft.

Alternatives: alle antwoordmogelijkheden waaronder het goede antwoord.

Distractors: de foute antwoorden die je ook kunt kiezen.

Akternatives to traditional assessments


Authentic assessments: assessmentprocedures die testen op vaardigheid en mogelijkheid als ze worden uitgevoerd in het echte leven.
Performance assessments: elke vorm van assessment waarin de leerling een activiteit uit moet voeren of een product moet maken om het leren te demonstreren.

Portfolio: een collectie van het werk van een leerling binnen een gebied om groei, zelf-reflectie en prestatie te laten zien.
Presentation: een uitvoeringstest of een demonstratie van het leren die publiek gehouden wordt en heeft meestal voorbereidingstijd nodig.
Dit kun je allemaal beoordelen door middel van een checklijst. Deze kan specifieke elementen feedback geven. Scoring rubrics: regels die worden gebruikt om de kwaliteit van de prestatie te beslissen.
Informal assessment: onbecijferde (formatieve) assessments die informatie uit meerdere bronnen haalt om de leraar te helpen om beslissingen te nemen.
Grading and reporting: nuts and bolts
Criterion-referenced grading: een assessment van de vaardigheden van elke leerling van de leerobjectives.

Norm-referenced grading: assessment van wat de leerling bereikt heeft ten opzicht van andere leerlingen. Gradingon the curve: een vorm van norm-referenced grading die de vaardigheden van de leerlingen vergelijkt met een gemiddeld niveau.
Percentage grading: welk percentage van de kennis heeft de leerling zich eigen gemaakt.
De foundation stage test op 6 gebieden:

  • Persoonlijk, sociaal en emotioneel

  • Communicatie en taal

  • Wiskunde

  • Kennis en begrip van de wereld

  • Fysieke ontwikkeling

  • Creatieve ontwikkeling

Contract system: systeem waarin de leerling werkt voor een bepaald level of een bepaald cijfer aan de hand van gemaakte afspraken. Rubrics beslissen het niveau.

Revise option: binnen een contract-systeem, de kans om het gemaakte werk weer in te zien of te verbeteren.
Individual learning expectation (ILE): leerlingen krijgen ‘verbeteringspunten’ als hun gemaakte werk boven een persoonlijke basis wordt becijferd of gewaardeerd of als ze een perfecte score bereikt hebben.

Dostları ilə paylaş:
1   2   3


Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©muhaz.org 2017
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə