Stichting de gihonbron


III. MAXIMIANUS IN GALLIË



Yüklə 1,73 Mb.
səhifə14/26
tarix03.11.2017
ölçüsü1,73 Mb.
#29534
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   26

III. MAXIMIANUS IN GALLIË

Gaius Aurelius Valerius D i o cl etianus (Afb. 110) heeft inder­daad de rust en de orde in het Rijk volledig hersteld 1). Door zijn krachtige maatregelen is in de Romeinse wereld de staat nieuw opgebouwd. Gedurende meer dan een eeuw na zijn optreden heerste daar weer een relatieve veiligheid; in beperkte mate was er welvaart; de mensen leefden op na de zware jaren van burger­oorlog, algemene verarming en ellende. Ook de antieke cultuur had nog een laatste periode van bloei.

De keizer zelf was iemand met een nuchteren geest en een voor­treffelijk organisator. Wat hem ontbrak, was de scheppende phan­tasie van een groot staatsman en een ver vooruitzienden blik. Maar hij heeft begrepen, wat op dat ogenblik werd vereist, en hij verstond de kunst om met de middelen, die tot zijn beschikking stonden, het noodzakelijkste te bereiken. Naar het schijnt, was het voorbeeld, dat hem voor ogen stond, Marcus Aurelius, de keizer van de trouwe plichtsbetrachting en van de grote gestrengheid, even­goed tegenover zichzelf als tegenover anderen. Met doortastendheid en met flinkheid, maar wellicht niet met voldoende soepelheid heeft Diocletianus de taak, die hij zich had gesteld, volbracht. Eerst de voortzetting van zijn werk, in een enigszins andere richting en met een andere methode, door Constantinus, leidde tot definitieve resultaten.

Reeds spoedig na de aanvaarding van het keizerschap heeft Diocletianus een van zijn bekwaamste opperofficieren, Maximia­nus, als mederegent gekozen met de titel van Caesar, dat wil zeggen ais troonopvolger aangewezen. Op die wijze was de continuïteit van het bewind verzekerd. Maar al spoedig bleek het, dat de taak om orde in het Rijk te scheppen voor één keizer te zwaar was. Vooral het Westen, waar de toestand in Gallië veel zorg vroeg, eiste de krachten van één persoon op en wel van iemand, die bekleed was met het volledige gezag. Naar het voorbeeld van Marcus Aurelius, die Lucius Verus tot medekeizer had gekozen, verhief Diocletianus, op 1 April 286, Maximianus tot Augustus. Als twee broeders zouden de keizers het Rijk besturen, maar Diocletianus als de oudere en de meerdere. Om het verschil duidelijk te maken voerde Diocletianus de naam Jovius, terwijl voor Maximianus de naam Herculius werd gekozen. De nieuwe Juppiter en de nieuwe. Hercules zouden tezamen de staat ordenen en regeren.


1) Over Diocletianus, verg. C. Jullian, Histoire de la Gaule, VII, blz. 46-98; E. Stein, Geschichte des spätromischen Reiches, I (1928), blz. 94-123.
Marcus Aurelius Valerius Ma x i m i a n u s, gelijk hij als keizer werd genoemd, was iemand van nederige afkomst en geringe be­schaving, maar een voortreffelijk officier en iemand, van wien Dio­cletianus verwachtte dat hij zich geheel naar de wil van de eigen­lijken leider zou schikken. Hij was een man van de daad, de nood­zakelijke persoonlijkheid om de zware taak die hem werd opgedra­gen, de ordening van het Westen, te volbrengen. Als zodanig moet men hem beoordelen en niet als de brutalen tyran, gelijk de Chris­tenen, die veel van hem te lijden hebben gehad, hem hebben afge­schilderd.

Het Rijk, waarvan de regering door Diocletianus en Maximianus werd aanvaard, was niet meer hetzelfde als vroeger. Voor de bevol­king waren de schokken, die de mensen te verduren hadden gehad, te ruw geweest en de ellende was te groot. Mochten de aanzien­lijken zich nog met Rome verbonden voelen, het volk had welhaast alle eerbied en ontzag voor het centrale gezag verloren. Bovenal haatte men het leger, met zijn commandanten die naar de keizers­titel streefden en met zijn onbeschaafde manschappen op wie men geen staat kon maken.

Toch was het leger nog de enige werkelijke macht in het Rijk. Het bezat het vermogen de provincies te beschermen tegen aanvallen van buitenlandse volkeren, wanneer het ten minste voor die taak beschikbaar was en niet elders moest vechten om voor de een of anderen opperbevelhebber de keizerstitel te verwerven. Maar het was volkomen vervreemd van de staat. Sedert de senatoren niet meer in het leger mochten dienen, was de band verbroken, die het met Rome altijd zo nauw had verbonden. Het bestond vrijwel geheel uit halfbeschaafde niet-Romeinen, die niet het minste ontzag hadden voor de Stad, maar die evenmin enigen band kenden met hun eigen vaderland of in het bezit waren van enig nationaal gevoel.

Op het platteland was dé nood ontzettend; de steden waren in verval; handel en verkeer waren gestremd. De vijftig jaren, sedert de dood van Severus Alexander (in 235) tot de erkenning van Diocletianus als keizer (in 285), zijn de slechtste tijd, die het Romeinse Rijk heeft doorgemaakt. Het dreigde in verschillende staten uiteen te vallen, nadat de alles verbindende kracht van de Stad Rome was verzwakt. Alleen de eenheid van cultuur tegenover de buitén­wereld hield de delen nog enigszins bijeen, voor zoover zij nog niet door volkeren van buiten het Rijk waren overstroomd. Gallië had zich gedurende een reeks van jaren geheel losgemaakt van Rome om haar lot toe te vertrouwen aan de legercommandanten, die in staat waren haar grenzen te verdedigen. In die periode had het tal van invallen moeten doorstaan van Germanen, die uitsluitend kwa­men om te plunderen en te rooven, en militaire opstanden, die als voorwensel dienden om het land te brandschatten.

De economische achteruitgang was nog verergerd door de infla­tie. Goud en zilver gingen ontbreken door de onmogelijkheid om de mijnen te exploiteren en de moeilijkheden bij de invoer. De Galli­sche keizers, vooral Tetricus, hadden het land overstroomd met geld, dat van vrijwel waardeloos metaal was geslagen, slecht gemunt, met onhandig gegraveerde stempels en foutieve inscripties. Dat geld verloor zijn waarde, zodra het in omloop was gebracht, en ver­grootte de duurte in plaats van de stijging der prijzen tegen te gaan. Alles moest nieuw worden opgebouwd, het bestuur, het leger, de handel, het verkeer, de financiën.
Intussen was de uiterlijke vorm van het Rijk in stand gebleven. Niemand dacht aan een ander bestuur dan van een keizer, die de leiding in de staat had. Maar ook het administratieve bestel, het ingewikkelde systeem van bureaux en ambtenaren, dat de keizers in de loop der tijden hadden geschapen, was nog intact. Te Rome functionneerden de centrale directies voor de rechtspraak, de finan­ciën en domeinen, de departementen van de keizerlijke kanselarij voor de administratie en het .eger. In Gallië waren de provincies als eenheden voor het bestuur aanwezig en de verschillende takken van dienst waren daar vertegenwoordigd door één of meer directeuren en door de bureaux en archieven met hun goed gedisciplineerd, uit­stekend opgeleid en streng geordend personeel van beamten, klerken, boden en inspecteurs. Ook de stedelijke districten en hun administratie waren nog grotendeels in stand. De bureaucratie beheerste nog steeds het gehele land, met haar reglementen en haar formalisme, maar ook met haar traditie, haar trouwe plichts­betrachting, haar hechte en duurzame organisatie.

Anders was de toestand in Gallië zeer ernstig. Wèl hadden de Illyrische keizers, in de vijftien jaren die aan het optreden van Diocle­tianus waren voorafgegaan, zeer veel voor de grensverdediging ver­richt. Alleen het land achter de limes aan de rechteroever van de Rijn en Dacia hadden zij moeten opgeven. Maar er was nog geen voldoende verdedigingslinie geschapen en er bestond nog geen be­hoorlijke verhouding met de volkeren aan de Rijn buiten het Rijk. De grote moeilijkheid was, dat er met deze volkeren geen overeen­komst mogelijk was. Noch de Alamannen, tussen de Main en de Boven-Rijn, noch de Franken, die het land tussen de Main of de Lahn en de Zuiderzee in bezit hadden, vormden een aaneengesloten geheel. Men moet denken aan groepen van volkeren, die soms met elkaar in onmin leefden, soms zich verenigden voor een grotera strooptocht in het Romeinse gebied, soms ook in kleine benden op roof uitgingen. Maar zij bleven wonen aan de overzijde van de Rijn. Waarschijnlijk hadden alleen Salische Franken reeds in deze tijd het land tussen Rijn en Waal bezet. Bovendien maakten Sak­sen en Friezen door hun zeerooverij de kusten van Gallië en Britan­nië onveilig.

Het enige middel om het Romeinse bezit op afdoende wijze te beschermen was een linie van vestingen en forten langs de Rijn, verbonden door een met wachtposten verdedigden weg, tezamen met een krachtige vloot op de rivier en een reeks van randstaten buiten het Rijk, die de opperheerschappij van Rome erkenden, zoals vroe­ger had bestaan. Om dit doel te bereiken zouden evenwel oorlogen moeten worden gevoerd in Germanië. Maximinus was de laatste kei­zer geweest, die aan zulke oorlogen heeft kunnen denken; reeds in de tijd van Probus was het Rijk daarvoor te zwak. De keizers moesten zich dus voreerst bepalen tot het aanleggen van versterkingen langs de grens en de schepping van een zo krachtig mogelijk leger. Daar­bij was het onverschillig, of dit leger grotendeels uit niet-Romeinse elementen was samengesteld, bij voorbeeld uit Franken wier voorouders tegen de Romeinen hadden gestreden, indien men er slechts voor zorgde van die Franken waarlijk Romeinse soldaten te maken. De belangrijkste voorwaarde was, dat de troepen konden optreden als de beschermers van Gallië. Maar dan moest het leger ook in het land blijven en niet worden weggetrokken voor burger­oorlogen. De betekenis van Gallië en het belang, dat dit land had voor de beveiliging van Italië, rechtvaardigden alleszins, dat grote krachten uit het Rijk voor de verdediging werden beschikbaar gesteld.

Gallië had ontzettend te lijden gehad van de invallen der Ger­manen. Grote gebieden waren geheel ontvolkt. In Nederland en België, bij voorbeeld, vindt men op het land geen spoor van Romeinse beschaving meer uit de tijd na het einde van de derde eeuw. Het was duidelijk, dat uiterst krachtige maatregelen nodig waren. In de eerste plaats had het Rijk een straffer en meer gecentraliseerde organisatie nodig. Er was langzamerhancL te veel aan de plaatse­lijke autoriteiten overgelaten. Het was immers reeds voorgekomen, dat onderdelen zich van het geheel losmaakten. Aurelianus had de eenheid hersteld; nu was het zaak, maatregelen te nemen om te ver­hinderen, dat zo iets in het vervolg nog eens kon gebeuren. In die geest hebben Diocletianus en zijn opvolgers gewerkt. Zij hebben daarbij succes gehad. Intussen hebben zij niet ingezien, dat door de centralisatie ook de nationale elementen in de verschillende on­derdelen deels werden onderdrukt en deels onbenut bleven. Op die wijze hebben zij wèl een grote eenheid tot stand gebracht; maar de eigenlijk levende energie lieten zij verloren gaan. Ten slotte is het Rijk ineen gestort, omdat alleen het skelet van de organisatie is over­gebleven; het is bezweken door het verval van de innerlijke krachten.


Max i m i a n us had, na de aanvaarding van het bestuur in Gal­lië, als eerste taak het land te pacificeren. Over de manier, waarop hij die taak heeft volbracht, zijn wij niet goed ingelicht. Onze voor­naamste bron zijn een paar redevoeringen, gehouden in 289 en in 291, die zijn bewaard gebleven in een verzameling van dergelijke oraties, de Panegyrici. Over het algemeen zijn deze redevoeringen een voortreffelijke bron om ons te oriënteren over de materielen en morelen toestand. Zij hadden een officieel karakter en werden door de autoriteiten gebruikt om bepaalde mededelingen aan het publiek te doen. Alleen worden de daden van de keizer, tot wien de redevoering is gericht, uitteraard overmatig verheerlijkt en wordt weinig rekening gehouden met de chronologische opeenvolging van de gebeurtenissen.

Waarschijnlijk in de laten zomer van 285 is Maximianus opge­broken van Milaan en heeft zijn weg genomen over de pas van de Groten Saint-Bernard. Bij de troepen, die hem vergezelden, was een corps uit het Oosten, dat als het Thebaansche legioen wordt aangeduid. Te Agaunus bij Saint-Maurice, in het dal van de Rh6ne niet ver van het Meer van Genève, heeft Maximianus een aantal sol­daten van dit legioen, die tot het Christendom waren bekeerd, laten doden, vermoedelijk omdat zij weigerden een eed af te leggen of deel te nemen aan een heilige handeling. De executie heeft op 22 September 285 (wellicht 286) plaats gehad. De geëxecuteerde sol­daten zijn als de martelaars van het Thebaansche legioen bekend. Later werden zij als heiligen vereerd door de manschappen van het leger, die christenen waren, vooral in de garnizoensplaatsen aan de Rijn, te Bonn, Keulen, Neuss en Xanten. De bekendsten van deze heiligen zijn Sint Mauritius, Gereon, Quirinus en Victor.

In Gallië gaven zowel de binnenlandse toestand als de vijan­den aan de grenzen zeer veel zorg. Eerst moest in het land zelf orde worden geschapen door het bedwingen van een opstand van het landvolk. De Bagauden, zoals zij zich zelf noemden naar een Kel­tisch woord dat zwervers betekent, bestonden uit boeren die hun land hadden verlaten, werkeloozen uit de steden, gedeserteerde sol­daten, weggelopen slaven en hoorigen. Onder hun "keizers" Aelianus en Amandus trokken zij door het land, zonder bepaald doel, roovend en plunderend. Het kostte vrij veel moeite hen te be­dwingen. Een reeks van schermutselingen was nodig, voordat zij onschadelijk waren gemaakt. Maar het bendewezen is in Gallië nooit geheel uitgeroeid. Men sprak daar nog in de vijfde eeuw van Ba­gauden. In hoofdzaak heeft Maximianus evenwel de orde hersteld. Na zijn overwinning werd hij, op 1 April 286, tot Augustus verheven.

Daarna is hij naar de Rijn gegaan; op 21 Juni 286 was hij te Mainz. Tegen de winter begaf hij zich naar Trier en daar aan­vaardde hij op 1 Januari 287 met grote feestelijkheden zijn eerste consulaat. Diocletianus vierde op die zelfden dag een dergelijke plechtigheid te Nicomedia. Op deze wijze bespeurt men, dat de nieuwe hoofdsteden toen reeds meer naar voren kwamen. Rome geraakte, in verband met de reorganisatie van het Rijk, enigszins op de achtergrond. Wellicht heeft Maximianus in deze tijd reeds enige militaire districten in Gallië geschapen. Men kan denken aan Sapaudia, een sector die zich uitstrekte langs de Alpen en de Jura ongeveer van Grenoble tot de Rijn, die evenwel eerst in 355 wordt vermeld, en de sector van Reims, Soissons en Saint-Quentin, de Tractus Nervicanus, enigszins overeenkomend met het vroegere gebied van de Nervii en van de Morini aan de Vlaamsche kust. Het is echter ook mogelijk, dat deze districten eerst later zijn ingesteld.

In elk geval is het Maximianus gelukt de rust aan de Rijn althans voorloopig te herstellen. Voor Over-Germanië heeft dat blijkbaar niet veel inspanning gekost. Wat meer moeite had de keizer aan de Neder-Rijn. Tegen de Franken heeft hij in de buurt van Keulen op de linkeroever van de rivier moeten strijden. Daarna stak hij de Rijn over en richtte grote verwoestingen in het land van de Fran­ken aan. Maar het gelukte hem niet de bevolking van die streek tot onderwerping te brengen. Hij verspreidde evenwel zulk een schrik bij hen, dat zij voreerst geen inval in het Rijk hebben gewaagd.
Meer succes had Maximianus aan de Neder-Rijn in het gebied van de delta. Daar hadden de Saliërs, naar men aanneemt, in het jaar 285 de IJssel overschreden en de Veluwe bezet. Tezamen met de Saksen maakten zij als zeeroovers de kusten van de Noordzee onveilig. Welke maatregelen tegen deze aanvallen zijn genomen, zullen wij zo aanstonds verhalen. Het is niet zeker, hoe ver de Franken zich naar het zuiden hadden uitgebreid. In elk geval be­heersten zij het eiland der Bataven en konden dus de scheepvaart op de Rijn bemoeilijken. Daar moest een einde aan worden ge­maakt. Het is vermoedelijk in deze streek geweest, dat Maximianus oorlog heeft gevoerd tegen Gennoboudes, de koning van de Fran­ken. De keizer achtte het evenwel beter deze volksstam niet uit zijn land te verdrijven, maar de Franken aan Rome te verbinden. Met Gennoboudes werd een tractaat gesloten, waarbij hij de opper­heerschappij van Rome erkende. Hij nam op zich het land, waarover hij heerste, in het belang van het Rijk te verdedigen. Van die tijd af kan dit deel van het Frankische gebied als een vazalstaat worden beschouwd. Een nieuwe periode voor de geschiedenis van ,de streek aan de monden van de Rijn ving met deze gebeurtenis aan.

De ceremonie, waarbij de Franken zich onderwierpen, wordt ons met enkele woorden beschreven. De koning heeft zijn manschappen op plechtige wijze voor de keizer geleid. Toen heeft Maximianus Gennoboudes als koning bevestigd. Uit de handen van de keizer ontving hij de tekenen van zijn waardigheid, een diadeem en wel­licht de insignia van een Romeinse magistraat. De koning heeft daarop zijn mannen toegesproken, hen bevolen de keizer lang aan te zien en als hun meester te gehoorzamen, daar hij zelf, hun vorst, zich als een onderdaan van de keizer beschouwde.

Wij weten, gelijk gezegd, niet geheel zeker, met welke groep van Franken deze overeenkomst is gesloten. Het is intussen waar­schijnlijk, dat men de stam, waarover Gennoboudes regeerde, in het gebied van de Rijndelta moet zoeken, daar de Romeinen in later tijd steeds de nauwste betrekkingen met deze Franken hebben ge­had, terwijl wij van een enigszins vriendschappelijke verhouding tot de stammen hogerop aan de Rijn nooit iets vernemen. In ieder geval kon de redenaar van het jaar 289 getuigen, zij het in overdre­ven termen, dat de veiligheid aan de Rijn door Maximianus voor het Rijk was hersteld. Zijn veldtochten aan die rivier hebben dus in 287 en 288 plaats gehad.
Hoe ongunstig de toestand is geweest, was aan het licht gekomen de asten Januari 288 (of wellicht 287) bij gelegenheid van een verrassende aanval op Trier, terwijl Maximianus in volle statie door de straten van de stad trok .tijdens de feesten bij de aanvaarding van het consulaat. Wèl werden de aanvallers zonder moeite terug­geslagen; maar wij begrijpen, dat de bewaking aan de grens toen verre van volledig was, en vooral, dat de Germanen voor het Rijk op dat tijdstip zeer weinig ontzag hadden. Het zou ook nog lang duren, voordat het werkelijk veilig was aan de grens. Blijkbaar is Maximianus niet bij machte geweest met grote doortastendheid in Germanië op te treden. Zijn expedities maken meer de indruk van rooftochten voor het buit maken van manschappen, die hetzij in het leger werden ingelijfd, hetzij als landbouwers in Gallië wer­den neergezet.

Een bijzondere categorie van zulke Germanen in Gallië vormden de 1 a et i, halfvrije boeren, die in dorpen bijeenwoonden en ver­plicht waren soldaten voor het leger te leveren. Men sprak ook van "gentiles". De manschappen, die door deze mensen zijn geleverd, waren dikwijls verenigd in afdelingen, die naar de naam van de oorspronkelijken volksstam werden genoemd. Door Maximianus is een aantal Franken gevestigd in de buurt van Trier. Het was de be­doeling, dat zij daar werkzaam zouden zijn voor de wijnbouw en de teelt van koren, waarschijnlijk op keizerlijke domeinen. Onder Constantius I zijn, na de oorlogen van 293 en 294, Franken, Chama­ven en Friezen overgebracht naar de omgeving van Amiens, Beau­vais, Troyes en Langres. De latere keizers hebben deze politiek voortgezet.


Tegelijk met de oorlogen aan de Rijn heeft Maximianus maat­regelen ondernomen om de Frankische, Friesche en Saksische zee­rovers af te weren. Waarschijnlijk behoorden tot deze mensen ook de Heruli en Chaibones, die van de Oostzee waren gekomen en zich wellicht in ons land hebben gevestigd. Tegen hen heeft Maxi­mianus moeten vechten. De Heruli worden later dikwijls tezamen met de Bataven genoemd. Voor de strijd tegen de zeeroovers werd een vloot geschapen. Zij kreeg haar standplaats te Boulogne en met het bevel werd Carausius belast, iemand uit de stam der Menapii die het land en de zee goed kende. Wellicht is bij die gelegenheid het militaire district van de Tractus Belgicae et Armorici opgericht en is Carausius als dux met het commando in deze sector belast. Door zijn bijzondere bekwaamheid en doortastendheid was hij voor de oorlog ter zee de geschikte, persoonlijkheid, geheel anders dan de Romeinse commandanten, die gewoonlijk niet het, minste be­grip hadden, hoe zulk een oorlog moet worden gevoerd. Het gelukte hem inderdaad de zeerovers te verslaan. Maar wij bezitten over deze krijgsbedrijven geen berichten, daar in de genoemde redevoe­ringen van Carausius geen sprake is in verband met zijn opstand van enkele jaren later.

Men kan zeggen, dat Maximianus met zijn optreden in Gallië succes heeft gehad. Langzamerhand begon het land zich te herstel­len van de slagen, die het door de burgeroorlogen en de opstand van de Bagauden had geleden. De redevoeringen van 289 en 291 bewijzen, voor zoover men aan dergelijke van hoger hand geïnspi­reerde documenten geloof kan schenken, dat de toestand aanmerke­lijk was verbeterd. Het moreel van de bevolking was verhoogd en inderdaad hangt de mogelijkheid om de veiligheid te handhaven voor een groot deel af van het vertrouwen, dat het volk in de regering heeft. Wellicht moet men ook verband zoeken tussen de politiek van Maximianus en zijn vervolging van de Christenen. De keizer wenste eenheid in het Rijk en samenwerking op elk gebied. Voor de godsdienst kon hij geen uitzondering dulden. Dat hij met deze zienswijze gelijk had, wordt duidelijk, wanneer men bedenkt, hoezeer de kracht van het Rijk is verhoogd, nadat het Christendom als rijksgodsdienst is ingevoerd. De eenheid van de staat is toen weer eens opnieuw gevestigd.


Een reeks van gebeurtenissen dreigde evenwel de bereikte resul­taten te niet te doen. Er hadden aanvallen van buitenlandse volke­ren plaats aan de Donau en aan de Boven-Rijn. Het belang­rijkst was echter de afval van de vloot en het verlies van Britannië. zoals boven is verhaald, had Maximianus als commandant van de vloot Carausius aangesteld, ter bestrijding van de zeeroovers, die voor een groot deel uit Nederland afkomstig waren. Inderdaad was het gelukt, de rust op zee te herstellen, wij weten niet op welke wijze. Vermoedelijk heeft Carausius de beste manschappen en schepen, die hij had moeten bestrijden, in dienst genomen. Maar hij wilde de buit, die hij had behaald, niet afstaan aan het centrale gezag en, toen Maximianus hem ter verantwoording riep, heeft hij zich tot Augustus laten proclameren. Dit is geschied tegen het einde van 287 of in het begin van 288. Als keizer noemde hij zich Marcus Aurelius Maus (of Mausaeus) Carausius.

Maximianus heeft onmiddellijk toebereidselen gemaakt voor een expeditie tegen de usurpator. In de ons bewaarde redevoering van het jaar 289 wordt over die toebereidselen ook gesproken. In­tussen kon de keizer tegen hem en tegen zijn Frankische en Saksische huurlingen niets beginnen, daar geen schepen beschikbaar waren. Carausius was geheel meester van Britannië en van de Gallischen kanaalhaven Gesoriacum (Boulogne). In overleg met Diocletianus heeft Maximianus om die reden Carausius als derden Augustus erkend, waarschijnlijk in 29O. Zelf vermeldde Carausius op zijn munten de drie Augusti; maar in de officiele documenten van de andere keizers werd hij natuurlijk genegeerd.

Op deze wijze regeerde Carausius in een deel van het Romeinse Rijk. Het is opmerkelijk, dat hij geen poging heeft gedaan om van dit deel een zelfstandigen staat te maken. Hij bestuurde het in Romeinse vormen, hoewel het een halfbarbaarsch karakter had. 7, ijlt voornaamste steun waren de Frankische zeeroovers en de vloot van het Kanaal, die hij door de bouw van nieuwe schepen nog heeft uitgebreid. Britannië had hij, voor zoover het tot het Romeinse Rijk behoorde, geheel onder zijn gezag, evenals het leger dat daar aan­wezig was, en dit leger heeft hij aangevuld met vreemdelingen, vooral met Franken uit het land aan de Rijn, die werden aange­trokken door de hoop op buit. Op het vasteland was zijn enige steunpunt Gesoriacum en de naaste omgeving van die plaats, waar bijzonder veel munten van hem zijn gevonden. Bovendien had hij evenwel tal van volkeren als "bondgenoten" in zijn macht betrok­ken, vooral Friezen en Franken uit de Rijndelta. Zijn rijk omvatte op die wijze niet alleen Brittannië, maar ook de gehele Noordzee, daar hij de Vlaams-Hollandse kust beheerste. Door zijn be­trekkingen met de bewoners van het gebied aan de monden van Schelde, Maas en Rijn controleerde hij de scheepvaart op de Rijn volkomen. De Romeinse regering heeft deze toestand enigen tijd moeten dulden. Het was echter van het grootste belang voor het Rijk, het deel waar Carausius heerste weder onder het cen­trale gezag te brengen.
Inmiddels was het ook om andere redenen duidelijk geworden, dat. het Rijk niet kon volstaan met twee heersers en twee legers. Diocletianus wilde op alle manieren voorkomen, dat wederom leger­aanvoerders door de troepen tot keizer zouden worden uitgeroepen, zoals dat tussen 235 en 270 hérhaaldelijk was geschied. Om die reden trok hij voortdurend rond en liet zich overal gelden. Maar hij begreep, dat hij op deze wijze zijn doel niet kon bereiken en om die reden heeft hij zijn oorspronkelijke plan voor de decentralisatie van het gezag nog verder uitgewerkt.

Naast de twee Augusti, die als twee broeders het Rijk bestuurden, zouden twee Caesares optreden als de zoons van de Augusti. De Caesares waren mederegenten, maar met minder aanzien dan de Augusti, en bestemd de laatstgenoemden in hun waardigheid op te volgen. Elk van de vier heersers had zijn eigen gebied, dat hij bestuurde, en zijn leger; elk had ook zijn eigen deel van de grens om te bewaken. Men spreekt van een "tetrarchie".

Volgens dit denkbeeld werden op 1 Maart 293 door Diocletianus te Nicomedia Gaius Galerius Valerius Maximianus en door Maximianus te Milaan Gaius Flavius Valerus C ons t a n t i u s tot Caesares verheven. Galerius moest huwen met Valeria, de dochter van Diocletianus. Reeds vroeger was Constantius gehuwd met Theo­dora, een stiefdochter van Maximianus. Het Rijk werd aldus ver­deeld, dat Diocletianus het Oosten behield met de hoofdstad Nico­ media en de verdediging op zich nam tegen de Perzen. Galerius, kreeg Illyricum, het Balkanschiereiland, met de hoofdstad Sirmiura en de zorg voor de grens aan de Beneden-Donau. Voor Maximianus waren Italië en Africa bestemd; hij vestigde zijn hoofdstad te Milaan en zou het land aan de Boven-Donau beschermen. Constantius, kreeg Gallië, later ook Spanje en Britannië met de hoofdstad Trier; aan hem was de verdediging van de Rijn, de Noordzee en het: Kanaal toevertrouwd. Voor Gallië was het een groot voordeel, dat: het land een heerser kreeg, die zich geheel aan zijn belangen kon wijden.

Diocletianus was, als de Juppiter op aarde en de oudste Augus­tus, het hoofd van de familie der heersers en de leider van de staat. Voor de continuïteit van het gezag was op voortreffelijke wijze gezorgd. Mocht een van de Augusti komen te overlijden, dan stond dadelijk een Caesar gereed om zijn plaats in te nemen. Door een streng hofceremonieel waren de vier keizers van de gewone stervelingen gescheiden. Diocletianus heeft daarvoor veel aan Per­zië ontleend, maar tevens voltooid wat door de vroegere keizers was voorbereid 1). Tegelijkertijd begon hij met een ingrijpende hervor­ming van de staat, die in 297 tot een voorlopige afsluiting is ge­bracht. Het doel van deze hervorming was de eenheid van het Rijk te bevorderen en meer leiding te geven aan het bestuur, vooral door beperking van de macht der ambtenaren en door een strengere controle 2).



Yüklə 1,73 Mb.

Dostları ilə paylaş:
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   26




Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©muhaz.org 2024
rəhbərliyinə müraciət

gir | qeydiyyatdan keç
    Ana səhifə


yükləyin